Leeuwarden en Egmond
Ik zal ongeveer vijf jaar zijn geweest toen mijn vader (hij was aannemer in Leeuwarden) een opdracht kreeg in Egmond aan Zee een huis te bouwen. Ten tijde van die opdracht liet mijn gezondheid iets te wensen over, en op advies van de huisdokter die meende dat een portie gezonde zeelucht mij goed zou doen, verkaste het hele gezin vanuit de Friese hoofdstad tijdelijk naar genoemde badplaats. Veel is mij van dit verblijf in Egmond niet bijgebleven. Wel herinner ik me dat ik alle dagen op het strand was te vinden en, volgens zeggen, niet bij de zee vandaan was te slaan. Misschien is toen al onbewust iets in mij wakker geschud om ooit eens die grote plas te bevaren. Een beetje ver gezocht, maar toch...

Veerdienst in Slikkerveer
Na deze subtiele aanwijzing dat mijn toekomst wel eens op zee zou kunnen liggen volgde ongeveer tien jaar later een gebeurtenis die hier indringender op wees. Ik logeerde bij een oom en tante in Slikkerveer. Lieve mensen die veel deden om me aangenaam bezig te houden, maar eigenlijk verliep de logeerpartij zonder veel te beleven. Totdat ik ontdekte dat er over de rivier de Lek tussen Slikkerveer en Krimpen aan de Lek een veerdienst werd onderhouden. Op de dagen die volgden was ik menig keer op de veerpont te vinden. Niet om er achter te komen of er aan de andere kant van de rivier méér was te beleven, maar om middels heen en weer te varen het gevoel te ondergaan hoe het is om op een boot op ruim water te zitten. Daarbij vond ik het het mooist als er door de golven die grote schepen in het voorbijvaren maakten, flink beweging in de pont kwam. Zo moet het zijn als je op zee vaart, dacht ik dan. Het nare gevoel dat ik in maag en hoofd op die momenten kreeg, nam ik maar op de koop toe. Dat dit met zeeziekte had te maken, kwam niet in me op. Het plezier dat ik aan de overtochten met de veerboot beleefde, is waarschijnlijk opnieuw een aanwijzing geweest dat ik naar zee wilde.
Voetballen en de HBS
Na het verblijf in Egmond aan Zee volgde na de lagere school en de voorbereidende HBS-klas, de HBS. In de tussenliggende jaren groeide mijn passie voor voetballen, en in alle bescheidenheid kan ik zeggen dat ik in deze tak van sport een talent was. Maar sport kwam in die tijd niet aan de orde om brood op de plank te krijgen. Om daar voor te zorgen, was het parool 'kennis vergaren en een vak leren'.
De eerste twee jaar van mijn HBS-tijd verliep nogal rommelig. Het eerste jaar viel in het laatste jaar van de oorlog. Het schoolgebouw was door de Duitse Wehrmacht gevorderd en de lessen werden in een andere school gegeven, de meisjes-HBS. Beurtelings kregen de leerlingen van deze school en de leerlingen van de HBS waar ik schoolging, 's morgens en 's middags les. Hierdoor moesten de lesuren sterk worden ingekort en met allerlei andere beroerde omstandigheden die de oorlog meebracht, was er weinig meer sprake van een optimale onderwijssituatie. Het kwam zelfs zóver, dat er helemaal niet meer naar school werd gegaan. Te hooi en te gras moest huiswerk worden gehaald, dat na een paar dagen weer ingeleverd moest worden om nagezien te worden. Het is voorstelbaar dat alles bij elkaar niet erg motiveerde om kennis te vergaren.
Het tweede jaar viel in het eerste bevrijdingsjaar. Het onderwijs begon weer redelijk op gang te komen, maar om de een of andere reden voelde ik me in die tijd niet erg geroepen om de lessen serieus te volgen. Mijn schoolgaan kwam er dan ook merendeels op neer dat ik regelmatig ongein uithaalde. Menig keer werd ik de klas uitgestuurd en moest me dan melden bij de directeur. Na de zoveelste keer dat ik bij hem aanklopte, was de schoolleider blijkbaar al zo aan mijn komst gewend, dat hij bij het horen van mijn stem - zonder van zijn werk op te kijken - alleen maar zei: 'Ga maar in je eigen hoek staan'. Niet zo'n erge straf, want op die plek hingen kaarten met prachtige sterrenhemels. In mijn 'eigen' hoek had ik zo alvast een kijkje op de hemellichamen die ik later tijdens mijn reizen over alle wereldzeeën zo vaak in het echt zou aanschouwen.
Dat de studieresultaten door alle fratsen die ik uithaaalde niet om naar huis te schrijven waren, is wel duidelijk. Meestal zag ik mijn proefwerken dan ook gewaardeerd met cijfers in driekwartsmaat. Aan huiswerk had ik een broertje dood. Bijna alle tijd die daar ingestoken moest worden, gebruikte ik om te voetballen, mijn lust en mijn leven.
Koninklijke Marine
In die gemoedstoestand, een hekel hebben aan schoolgaan, maar ook niet wetend wat ik anders wilde dan voetballen, zag ik op een gegeven dag dat de Koninklijke Marine in de buurt van de school een wervingsbureau had geopend. Ik rook mijn kans om de school de school te laten, en zonder in te gaan op hoe alles in zijn werk is gegaan om me te laten inlijven, zat ik binnen de kortste keren in een opleidingskamp van de Marine in Voorschoten.
De eerder beschreven aanwijzingen hadden al in die richting gewezen, maar door me op te geven voor een baan bij 's land zeemacht kwam het definitieve besef dat ik naar zee wilde. Dat gebeurde echter niet op een van Hare Majesteits schepen. Ik kwam er namelijk achter dat mijn 2-jarige HBS-opleiding bij de zeemacht niet meer perspectief bood dan matroos '3e klas zonder vooruitzichten' en toen dan ook het moment kwam dat ik voor zes jaar moest tekenen, zei ik de Marine vaarwel en keerde terug naar moeders pappot.
Oom Auke
Het kostte wel enig soebatten, maar ik mocht terugkomen op de HBS. Uit mijn korte avontuur bij de Marine had ik echter wel een les geleerd en ik deed op school aanmerkelijk beter mijn best, wat extra werd gestimuleerd door toedoen van mijn oom Auke. Hij had tot aan zijn pensioen bij de KPM, de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij, gevaren en als oud-zeeman deed hij de suggestie dat het voor mij misschien het beste was een studie aan een zeevaartschool te volgen. Ik vond het een prima idee, en er werd meteen werk van gemaakt waar ik daarvoor terechtkon. Een 3-jarige HBS-opleiding was voorwaarde om toegelaten te worden en dus trok ik er op school nog harder aan.
Scheeps-WTK
Oom had bij zijn voorstel niet onder stoelen of banken gestoken dat hij me het liefst scheepswerktuigkundige zag worden, het beroep dat hijzelf ook had uitgeoefend en hij zegde toe graag te willen helpen bij mijn studie als ik in zijn voetsporen stapte. Dat deed ik, en het is wel leuk om alvast te vertellen dat zijn helpen er meestal op neerkwam dat hij mijn vragen over de leerstof veelal beantwoordde met: 'Dat hoefden wij vroeger niet te leren'. Met andere woorden, veel van mijn vragen gingen hem boven de pet. Wat hem overigens niet kwalijk was te nemen. Oom had zijn boekenkennis voornamelijk opgedaan in de jaren twintig. Ik vond het echter niet erg om niet veel wijzer van hem te worden, want in de plaats voor mijn onbeantwoorde vragen, begon hij dan - glaasje en de bekende vierkante fles onder handbereik - prachtige verhalen te vertellen over de vaart en over wat zich in een machinekamer afspeelde.
Vooral dus door de inbreng van mijn oom, gebeurde het dat ik na drie jaar HBS terechtkwam op de School voor Scheepswerktuigkundigen (onderdeel van de Middelbaar Technische School) in Leeuwarden.
Het korte avontuur bij de marine daargelaten, zette ik middels deze school eind augustus 1948 de eerste schreden in de wereld van de scheepvaart. Weliswaar alleen nog maar in theorie, maar vooral door de verhalen van de oud-scheepswerktuigkundige en docent technische vakken, meneer Buis, proefde je als het ware al zout water en stond je al op de manoeuvreerstand in de machinekamer. Hij doorspekte zijn lessen met allerlei belevenissen die hij op de vaart had meegemaakt en gebruikte daarbij scheepstermen waarvan je wilde dat je ze uit eigen ervaring al kende. Maar vooralsnog ontbrak die ervaring. Om die op te doen, dienden er eerst goede studieresultaten behaald te worden, wat me prima lukte. De cijfers die ik voor alle studieonderdelen haalde waren zelfs zó goed, dat ik in aanmerking kwam voor een studiebeurs van de Shell. Deze oliemaatschappij had voor zijn scheepvaarttak (toen nog La Corona, later Shell Tankers geheten) grote behoefte aan scheepsofficieren. Om aan deze behoefte te voldoen, stroopte men de zeevaartscholen af om goede leerlingen te strikken door hen een tegemoetkoming in de studiekosten te bieden. Voor mij een niet te versmaden aanbod, want de financiële omstandigheden thuis waren niet bijster florissant. Mijn vader was door de Duitsers gefusilleerd, waardoor mijn moeder een paar jaar na de oorlog amper inkomsten had. Er werd dan ook dankbaar gebruik gemaakt van het Shellaanbod. Wel betekende het, dat ik na voltooiing van mijn studie een 2-jarig contract met de Shell moest tekenen, maar dat was geen bezwaar. Tijdens mijn schoolgaan was ik daardoor in ieder geval al verzekerd van een baan.
Nylon
Ofschoon er op studiegebied flink aangepeesd moest worden, bleef er gelukkig nog voldoende tijd over om te voetballen. Met als bijnaam 'Nylon' vierde ik triomfen in het eerste elftal van de voetbalvereniging 'Leeuwarden' dat in de hoogste afdeling van de noordelijke competitie speelde, vergelijkbaar met de latere eredivisie. Een fijne tijd, met zelfs uitstapjes naar het buitenland. Ook hoefde ik mijn aard niet te verloochenen om zo nu en dan ongein uit te halen. Als aanloopje daarvoor kreeg ik meteen al aan het begin van het eerste jaar op de nieuwe school tijdens de ontgroeningweek een mooie gelegenheid. In deze week kreeg je als eerstejaarsleerling een leerling uit een hogere klas als 'baas' toegewezen. Deze baas werd geacht je allerlei, liefst onzinnige, opdrachten te geven, maar mijn baas bleek niet erg inventief op dat gebied. Zijn bedenksels beperkten zich tot het moeten poetsen van zijn schoenen en wat boodschapjes doen. Op de laatste dag (een zaterdag) van de ontgroeningsweek, nam ik dan ook zelf maar het initiatief. Ik stelde voor om naar het centrum van de stad te gaan en daar iets te doen wat een beetje opzien zou baren. Wát wist ik nog niet. Op de één of andere manier was ik in het bezit gekomen van een paraplu, misschien zou er zich een mogelijkheid voordoen waarbij dat ding van pas kwam. Die mogelijkheid kwam er, maar niet meteen. Onderweg naar het centrum hoorden we dat de andere eerstejaarsleerlingen door hun bazen naar het stadhuis waren gedirigeerd en we kregen het parool om ons ook derwaarts te begeven om als sluitstuk van de ontgroeningsweek het bordes van het stadhuis met een tandenborstel schoon te maken. Best wel leuk, maar ik vond het geen erg spectaculaire happening. Bijna geen kip in de buurt om deze show gade te slaan, en daarom bedacht ik dat het veel leuker zou zijn als deze dwaze vertoning ergens werd herhaald waar méér mensen waren. En waar was daarvoor in Leeuwarden een betere plek te vinden dan de Mercuriusfontein, waar, zeker op zaterdag, veel winkelend publiek was. Ik wist mijn lotgenoten zo gek te krijgen dat ze me volgden, en dwars door de drukste straten, lopend met het ene been op - en het andere been naast de trottoirs, bereikten we de fontein, waar we onder het oog van een flinke menigte aan ons schoonmaakkarwei begonnen. Terwijl mijn medeleerlingen zich met hun tandenborstels beijverderden om lager gelegen beelden schoon te maken, klom ik naar boven, waar Mercurius zich in al zijn blootheid verhief. Nog hoor ik het gejuich toen ik hem bereikte en zijn voeten begon te boenen. Verder gaand met zijn knieën en dijen, dacht ik even om het daar maar bij te laten. Maar ik had nog steeds die paraplu. Triomfantelijk keek ik naar beneden waar het toegestroomde publiek zag hoe ik de paraplu ontvouwde en hem met mijn ene hand voor het kruis van Mercurius hield. Een moment later klonk er gelach en gejuich op toen ik met mijn andere hand het klok en hamerspel van de god van de handel met de tandenborstel bewerkte! Leuke herinneringen aan een fijne schooltijd.

Na de Mercuriusvertoning liet ik me tijdens mijn verdere schooltijd bij andere gelegenheden ook niet onbetuigd, maar in het bestek van wat in mijn bedoeling ligt, herinneringen ophalen over het leven op zee, laat ik die voorvallen verder voor wat ze zijn. Mijn studieresultaten hadden niet te lijden van mijn passie voor voetballen en de ongein die ik zo nu en dan uithaalde en aan het eind van het schooljaar 1949-1950 mocht ik op 22 juli 1950 uit handen van schooldirecteur Witkop een document in ontvangst nemen, waarvan de tekst luidde: 'De Commissie en Gecommitteerden voor de eindexamens aan de scholen voor Scheepswerktuigkundigen en de Directeur en Leraren van de School voor Scheepswerktuigkundigen te Leeuwarden verklaren, dat Hendrik Auke Kerkhof, geboren de 2e Januari 1930 te Leeuwarden, met goed gevolg heeft afgelegd het eindexamen volgens programma A.M., afgenomen aan bovengenoemde school in Juni en Juli 1950'. Mijn diploma dus.
De wereldzeeën lagen voor mij open!
