4. Voorbereidingen om voet aan boord te zetten

Er waren ongeveer vijftien jaar verlopen tussen Egmond aan Zee en het moment dat ik daadwerkelijk de grote plassen zou gaan bevaren. Het jongetje van vijf dat de pijpjes van zijn korte broekje omhoog hield om de aanrollende golven op het strand van het 'derp' te trotseren, was nu een aankomend scheepswerktuigkundige, vastberaden om die golven op een groot schip het hoofd te bieden.

Nadat ik de Shell had gemeld dat ik voor mijn examen was geslaagd, kreeg ik bericht wat ik zoal diende aan te schaffen wat tot de uitrusting van een officier van de Shellvloot behoorde. Behalve de normale dingen voor de dagelijkse verzorging, moesten daar twee blauwe uniformen, tropenkleren en zes witte ketelpakken deel van uitmaken. Alles bij elkaar een hele lijst van benodigdheden die een flinke aanslag op de portemonnee betekenden, maar gelukkig verleende de Shell voor de aanschaf een voorschot, dat later van mijn gage werd ingehouden. Naast de aankoop van een splinternieuw blauw uniform, werd een oud uniform van oom Auke vermaakt tot een goed passend tweede uniform. Oom leverde bij zijn oude uniform een paar mooie smalle gouden biesjes die op de mouwen werden genaaid. Dit stond stoer en, zonder ook nog maar een stap aan boord te hebben gezet, gaf het voor buitenstaanders de uitstraling dat ik reeds flink wat zout water had geproefd. Maar hoogmoed komt ten val, want - zoals later zal blijken - tijdens mijn eerste kennismaking met toekomstige collega's, zouden die biesjes me nog danig in verlegenheid brengen.

Volgens oom moest tot de tropenkleren ook een 'jassie toetoep' behoren. Een jasje met een hoog stijf boordje, een bezoeking om in de tropen te dragen en gelukkig uit de tijd; anno 1950 waren een paar witte overhemden en witte lange en korte broeken voldoende. Inclusief de ketelpakken, blauwe en witte uniformpet plus een aantal andere noodzakelijke dingen, werd alles besteld bij een in uniformen en zeemansuitrustingen gespecialiseerde firma in Amsterdam.


Na ontvangst van alle spullen was ik zo trots als een aap. Alles werd ingepakt in een echte, gebruikte hutkoffer, op de kop getikt bij een gepensioneerde koloniaal. Van deze oud-tropengast kreeg ik nog de goede raad om in de tropen altijd een handdoek over mijn buik te leggen als ik ging slapen, want deed ik dat niet, dan voorspelde hij me de meest ellendige darmstoornissen. Altijd slapend met alleen een pendekkie aan of helemaal niets, heb ik die raad immer opgevolgd. Of dit me heeft behoed voor darmkrampen of nog ergere ingewandskwalen, weet ik niet. Misschien wel, want ik kan me niet herinneren ooit ergens last van te hebben gehad.

Wat mijn uitrusting betrof, kon ik dus zo aan boord stappen. Ik had echter nog geen bericht ontvangen waar, en op welk schip ik moest aanmonsteren, en daarom eerst nog maar even het verhaal over wat mij gebeurde na het behalen van mijn diploma. Om te vieren dat we geslaagd waren, hield ik met enkele schoolmaten een kroegentocht waarbij ik voor het eerst in mijn leven een paar pilsjes dronk. (Voordien: bij sport geen alcohol!). De volgende ochtend voelde ik me niet lekker. En, echt, ik snapte niet waar dat van kwam. Geroutineerden in het nuttigen van alcoholische versnaperingen wisten me echter te vertellen dat dit 'me niet lekker voelen', gewoon een kater was. Ondanks dat ik nu dus wist wat de vervelende consequenties van een biertje teveel waren, zou ik toekomstig een stevig pilsje of pittige neut echter niet schuwen. Met natuurlijk als gevolg dat ik me na die eerste keer wel eens vaker 'niet lekker' voelde. Maar dat nam ik dan maar op de koop toe.

Eind september 1950 bracht de post een groot notitieboek. Op de omslag was een sticker geplakt met daarop in forse letters: 'Memoriaal'. Op de binnenkant van de omslag was opgetekend: 'Hierbij brengen wij onder Uw aandacht, dat U Uw memoriaal, alvorens dit na completering van de door U benodigde vaartijd aan ons kantoor opgezonden wordt, zowel aan Uw gezagvoerder als aan de hoofdwerktuigkundige ter tekening dient voor te leggen'. En: 'In te zenden bescheiden ter verkrijging van het volledig Voorlopig Diploma: ...', waarna een opsomming volgde van allerlei officiële documenten. Vooruitlopend op de geschiedenis: Wat heb ik dit memoriaal vaak verwenst. Het was een dagboek waarin je als leerling wtk een jaar lang van elke werkdag een verslag moest maken van de werkzaamheden die je had verricht. Een verhaaltje maken van de klusjes die ik zoal deed vond ik niet moeilijk, maar van bijna álles wat je onderhanden kreeg moest een schets worden gemaakt. En dat was nou niet bepaald mijn sterkste punt. Vooral als ik had gewerkt aan een machineonderdeel waarvan een doorsnede moest worden getekend, zat ik daar soms uren mee te modderen. Ondertussen ontiegelijk balend. Maar het móest gebeuren. Geen goed bijgehouden memoriaal, dan geen zogenoemd 'Voorlopig Diploma' en dus geen papiertje om, na een jaar leerling, als 5e wtk dienst te doen. Het memoriaal moest wekelijks worden ingeleverd bij de 'baas', de hoofdwerktuigkundige. Die zag het na en legde het vervolgens, al dan niet voorzien van aantekeningen, terug in mijn hut. Vaak met de mededeling "ik moet je nog wel even spreken". Als ik dan zag dat er in mijn werk veel aantekeningen waren gemaakt, wist ik wel hoe laat het was. Met geknepen billen meldde ik me dan bij de baas, netjes wachtend op de drempel. Mocht ik binnenkomen, dan kreeg ik flink van wanten. Meestal waren het de schetsen waarop hij het nodige had aan te merken. Of te weinig, of niet goed, of ik had er geen goede beschrijving bij gemaakt. Met zijn commentaar op mijn memoriaal, alsook op andere dingen die ik deed en die hem niet zindden, vond ik mijn eerste hoofdwtk maar een bullebak. Maar ja, een leerling was een nul en per slot ging je niet naar zee om vertroeteld te worden.

Onder nummer D9826 had ik medio juli 1950 mijn in Delfzijl afgestempeld monsterboekje ontvangen. Na een bezoek aan de oren- en ogendokter, werd hierin aangetekend dat er aan mijn gehoor- en gezichtsorganen niets mankeerde en een week later werden deze aantekeningen aangevuld met de bevindingen van de keuringsarts van de Shell dat ik helemaal gezond was om machinekamerdienst te doen op de koopvaardijvaart. De hutkoffer gepakt, in het bezit van het nog maagdelijke memoriaal en het onontbeerlijke monsterboekje op zak, wachtte ik in spanning het moment af waarop men mij zou berichten wanneer, en op welk schip ik dienst moest gaan doen. Dit bericht kwam begin oktober 1950. Het vermeldde, dat ik als leerling scheepswerktuigkundige werd geplaatst op het m.s. Murena. Een 12.000-tons tanker die in Amsterdam voor een dokbeurt bij de NDSM lag afgemeerd. Op 9 oktober diende ik me op genoemd schip bij de gezagvoerder te melden.

En met dit gegeven ben ik op het punt gekomen waar enkele herinneringen uit mijn vroege jeugd en mijn schooltijd eindigen. Ik kan beginnen met verhaal te doen over mijn belevenissen op de vijfentwintig schepen waarmee ik bijna alle wereldzeeën heb bevaren.

Inhoudsopgave