6. Eindelijk naar zee en ... Gruwelijk zeeziek

Terwijl de andere wtk's met de dokwerkers werkten aan de hoofdmotoren, de stoomketels en de hulpwerktuigen om de machinekamer bedrijfsklaar te maken, leverde ik daarvoor mijn bijdrage door allerlei klusjes te doen. Ik voorzag de pakkingbussen van pompen en afsluiters van nieuwe pakking, maakte afsluiters gangbaar, maakte de filterbak voor afgewerkte stoom schoon, vulde deze bak met nieuw filtermateriaal (kokosvezel of wel 'apenhaar' genoemd) en zorgde ervoor dat de carters van verschillende machines gevuld werden met smeerolie. Na me op deze manier nuttig te hebben gemaakt, mocht ik na een week assisteren bij het stellen van de rolspeling van de in- en uitlaatkleppen en de aanzetkleppen van de hoofdmotoren. Nadat deze klus was geklaard, kwam het moment dat er proefgedraaid kon worden. De aanzetvaten werden op druk gebracht, de hulppompen voor smering en koeling werden in werking gesteld en, nadat er nog een aantal controles was uitgevoerd, startte de 2e wtk de stuurboordsmotor. Was dit voor het ervaren machinekamerpersoneel een voornamelijk spannend moment, voor mij was het spannend en indrukwekkend tegelijk. Voor het eerst hoorde ik hoe de rollen van de klephefbomen van de machtige dieselmotor zich vanuit de vrijstand met een massief klikkend geluid roffelend op de nokken van de nokkenas plaatsten. Op nagenoeg hetzelfde moment hoorde ik het oorverdovende gesis van de aanzetlucht dat via de aanzetkleppen de cilinders binnenstroomde en de eerste omwentelingen van de motor teweegbracht. Ik zag hoe de second het manoeuvreerhandle doordrukte om de aanzetlucht af te sluiten en over te gaan tot brandstofinspuiting. Het gesis van de aanzetlucht en het geluid van de met kracht dichtslaande aanzetkleppen hield op en ging over in het doffe gebonk van de door compressie tot ontbranding gebrachte brandstof in de zes cilinders. Tegelijkertijd hoorde ik het ritmisch geluid van de zich opende en sluitende in- en uitlaatkleppen en het gelijkmatig geklik van de klepstoters op de kleppen. Bij het even op volle kracht draaien van de motor, nam het aantal decibellen in de machinekamer dusdanig toe, dat een gesprek alleen nog maar mogelijk was door de hoofden naar elkaar toe te buigen en elkaar beurtelings wat in het oor te toeteren. Eenmaal langer op zee en gewend aan de machinekamergeluiden, zou de mix van het motorlawaai en de herrie van alle andere werktuigen een deel van mezelf worden. En net als bij iedere ervaren wtk, drong elke verstoring ervan intuïtief tot me door en wist ik op het gehoor feilloos te bepalen welk onderdeel een dissonant liet horen. Het proefdraaien van beide motoren verliep zonder problemen en drie dagen later, om precies te zijn op 23 oktober, vertrokken we in ballast uit Amsterdam met als bestemming Mina al Ahmadi aan de Perzische Golf. Na een paar uur varen door het Noordzeekanaal, passeerden we de sluizen van IJmuiden. De Noordzee lag voor ons. Ik was best wel een beetje zenuwachtig hoe het me in open zee zou vergaan.

In de veertien dagen dat ik aan boord was, was me al flink ingepeperd dat de enige plaats waar ik me tijdens werktijd diende op te houden, de machinekamer was. Of op een andere plek waarheen ik werd gedirigeerd om een klusje te doen. Bij het vertrek uit Amsterdam had ik opdracht gekregen in de machinekamer stand-by te blijven om hand- en spandiensten te verrichten. Ik haalde het dan ook niet in mijn hoofd om zelfs maar voor een paar tellen aan dek te gaan om te kijken wat er tijdens de vaart door het Noordzeekanaal en tijdens het schutten in IJmuiden was te zien. Hoe mijn eerste schip op mijn eerste zeereis de pieren van IJmuiden passeerde en het ruime sop koos, zag ik dus niet. Maar merken deed ik het wel. Want eenmaal buitengaats begon de Murena trage schommelingen te maken, waarbij ik het ene moment een druk onder mijn voeten voelde alsof ik werd opgetild, een ogenblik later was het alsof ik even geen vaste grond onder mijn voeten had, wat een zwevend gevoel gaf. Tegelijkertijd werd het licht in mijn hoofd en kreeg ik een naar gevoel in mijn maag. Zeeziekteverschijnselen dus. Een vervelende gewaarwording, die ik als kind op de wip of in een zweefmolen wel eens had meegemaakt, maar toen had ik het zelf in de hand om die nare gevoelens te laten ophouden. Nu was dat anders. Nu was ik overgeleverd aan schip en zeegang en kon ik niet zo maar even van boord stappen om me weer lekker te voelen.

Bij het bereiken van open zee bleek ook, dat ik geen zeebenen had. Ik kon totaal geen koers houden en had moeite om niet bij elke stap pootje-over te gaan. Elke keer als het schip van stuur- naar bakboord overhelde, moest ik steun zoeken om weer op het 'rechte pad' te komen. Deze onbeholpen manier van voortbewegen duurde overigens niet lang, want een paar dagen later zou ik, net als alle anderen aan boord, het zwaartepunt van mijn lichaam intuïtief aanpassen aan de bewegingen van het schip. Het ongewild lopen als een dronkelap duurde dus niet lang, de opkomende zeeziekte werd een ander verhaal.

Vanuit IJmuiden werd koersgezet naar het druk bevaren Nauw van Calais, dat in de nacht en bij potdikke mist werd gepasseerd. Geen zicht, urenlang langzaam varen, soms zelfs 'dead slow'. Om de positie van de Murena kenbaar te maken, stootte de scheepshoorn met vaste tussenpozen een langgerekt geloei uit, dat wegstierf in de mist en het nachtelijk duister. Regelmatig werd de misthoorn van een ander schip gehoord en als deze mee- of tegenligger dichterbij kwam, werden de zenuwen van de mensen op de brug danig op de proef gesteld. Er waren momenten dat een onzichtbaar schip zich aankondigde met een alsmaar naderend gedreun van zware dieselmotoren en geplof van uitlaatgassen. De angst voor een aanvaring sloeg dan toe. Verwijderden de geluiden zich en stierven ze weg in de grauwheid van de mist en in het donker van de nacht, dan slaakten de stuurlui, roerganger en uitkijk een zucht van verlichting. Soms kregen ze de stuipen op het lijf als een dwars inkomend schip de Murena als een schim kruiste. Of als er een tegenligger met onverantwoorde snelheid als een spookschip passeerde. Heel wat gvd's werden op die momenten de lucht ingeknald.

Deze stressbevorderende omstandigheden lieten het machinekamerpersoneel ook niet onberoerd. De wtk's van de wacht liepen gespannen constant stand-by op de manoeuvreerstand, klaar om meteen te reageren op het rinkelen van de telegrafen en de orders van de brug uit te voeren. Geen kijk hebbend op wat zich bovendeks afspeelde, een zenuwslopende bezigheid. Zelf was ik nog te onervaren om de risico's van varen in dichte mist te beseffen en voelde ik nog niet de spanning die dit meebracht. Later, onder dezelfde omstandigheden als in het Nauw van Calais, was dat besef en die spanning er des te meer. Varen in potdikke mist, een crime voor elke zeeman. Zeker in de tijd toen de schepen nog niet over moderne navigatiemiddelen beschikten.

Tijdens de vaart door het Nauw van Calais en bij het ingaan van het Engelse Kanaal lag ik in mijn kooi. Te bekomen van mijn eerste dag op zee. En vooral blij dat de opkomende zeeziekte niet had doorgezet. Wat trouwens niet zo verwonderlijk was, want onder de beschreven weersomstandigheden was er amper zeegang in het Kanaal. Mocht ik echter de hoop hebben gekoesterd dat mijn onpasselijkheid door een schommelend schip verder wel zou meevallen, spoedig zou blijken dat die hoop ijdel was.


Na het Kanaal lag de Golf van Biskaje voor de boeg en daar ondervond ik voor het eerst hoe een schip reageert als het op een grote waterplas overgeleverd is aan wind en golven. Gedurende die oversteek van de beruchte Golf van Biskaje, stond er een zuidwesterstorm die de lange deining van de Atlantische Oceaan had opgezweept tot metershoge golven die botsten met de relatief kortere golfbewegingen van de Golf van Biskaje. Het gevolg was een heksenketel van wild tekeergaande watermassa's. Tegen al dit geweld van samenspannende natuurelementen, moest de Murena opboksen. Het ene ogenblik dook het schip in een golfdal waardoor het achterschip omhoog werd gezwiept, het andere moment klom het tegen een aanzwellende golf op en werd de voorsteven metershoog opgetild. Tonnen water spatten op de boeg uiteen tot gigantische waternevels. Bij elk zeetje werd het voorschip overspoeld door enorme watermassa's, die meteen weer schuimend en kolkend overboord stroomden. Dit onstuimige spel van de storm met de zee, met als prooi de Murena, ging eindeloos door. Geen moment werd het schip en opvarenden rust gegund. In de machinekamer had iedereen moeite om op de been te blijven. Zware slingeringen van stuur- naar bakboord en het steeds omhoog en omlaag zwiepend achterschip, veroorzaakten dat het ene moment het lopen ongewild werd versneld en dat even later de pas moest worden ingehouden. Alsof er voortdurend een hoogte werd afgedaald en weer beklommen. Op de momenten dat het slingeren en stampen op zijn hevigst was, werd lopen glijden op de gladde vloerplaten en spijlen van de bordesroosters. Menigmaal moest steun worden gezocht om niet ergens tegenaan gesmakt te worden. Het hoeft geen betoog dat onder deze omstandigheden het leven voor iedereen aan boord een vermoeiende aangelegenheid was. Voor mij kwam daar nog bij, dat ik gruwelijk zeeziek werd.

Bij het onder bar slechte weersomstandigheden ingaan van de Golf van Biskaje, had ik opnieuw dat nare gevoel gekregen dat ik kende toen we de pieren van IJmuiden achter ons lieten. Toen had de opkomende zeeziekte niet doorgezet, maar ik vertelde al dat mijn hoop om van verder leed bespaard te blijven, ijdel was.

Duizeligheid en misselijkheid, veroorzaakt door het niet goed functioneren van het evenwichtsorgaan. Zo ongeveer zou je de symptomen en de oorzaak van zeeziekte kunnen omschrijven. En dat men er last van kan krijgen op bijvoorbeeld een schommelend schip. Op zo een schip bevond ik me dus. En wat heet schommelen. Eerder zei ik al dat de zee bij de oversteek van de Golf van Biskaje een heksenketel was en dat de Murena vreselijk tekeer ging. Onder deze omstandigheden werd mijn evenwichtsorgaan dus op de proef gesteld en al gauw bleek, dat het de onophoudelijke op- en neergaande bewegingen van het schip niet kon bijsloffen. Elke keer als een metershoge golf de achtersteven omhoog zwiepte en zijn hoogste punt had bereikt, werd het vervolgens weer naar beneden gesmakt. Op die momenten stokte mijn adem en was het alsof mijn maag in mijn lijf omkeerde. Dit niet te stoppen proces van voortdurend meters stijgen en weer dalen, miste zijn uitwerking dan ook niet. Ik werd zo misselijk als een kat. Eerst wilde ik me nog groot houden en tegenover iedereen doen alsof er niets aan de hand was, maar uiteindelijk ging ik toch voor de bijl. Ik rende naar dek en, over de reling hangend, gooide ik alles eruit. Het gaf wel enig soulaas, maar het betekende geenszins dat het nu beter ging. In tegendeel, de ellende werd alleen maar erger. De komende paar dagen zou ik me meer dood dan levend voelen en was ik nog het beste af in mijn kooi. Daar, in de beslotenheid van mijn hut, kon ik me willoos overgeven aan mijn 'grote lijden' en ongestoord medelijden met mezelf hebben. Slapen was hopeloos, en soms had ik het niet meer als het schip een enorme haal maakte en het voor mijn gevoel veel te lang duurde voordat het zich weer oprichtte. 'We kapseizen' dacht ik op die momenten. Ik was er echter zo beroerd aan toe, dat ergens iets in me zei dat het me ook geen moer kon schelen. Iemand die écht zeeziek is, is nergens meer in geïnteresseerd. Hij houdt er maar een gedachte op na: 'Laat die boot asjeblieft ophouden met slingeren en stampen'.

Blijven eten, de beste remedie om zeeziekte de baas te worden. Zeggen ze. Ik probeerde het, maar 's ochtends bij het opstaan meteen al de lucht van 'fried kipper' (gebakken haring) of 'bacon and eggs' opsnuiven, werkte niet erg mee om mijn maag tot rust te brengen. Tegen heug en meug at ik dan toch wat, maar ging ik daarna even aan dek voor wat frisse lucht en bereikten uit de kombuis de walmen van 'gebakken paardenhoeven' (gebakken knoflook) mijn neus, dan ging ik prpmpt weer over mijn nek. Te langen leste spuugde ik alleen nog maar gal en had ik pijnlijke buikspieren van het steeds maar weer moeten kotsen.

Wie mocht denken dat er aan boord medelijden wordt getoond met iemand die zeeziek is, dan heeft hij het mis. Eerder nog worden er nog zieker makende suggesties gedaan om er van af te komen. Bijvoorbeeld heel suggestief verhaal doen over hoe een reep spek door het keelgat glijdt. Een zieke zeeman is geen zeeman. En aan boord geldt sowieso dat zeeziekte geen kwaal is die je in je hut of in je kooi mag uitzieken. Na een ellendige nacht in mijn kooi blijven was er dan ook niet bij, en ik hoefde er ook niet aan te denken om in werktijd mijn hut op te zoeken. Gewoon blijven werken was het parool. 'En dat kotsen gaat vanzelf over'. Tijdens al deze ellende had ik opdracht gekregen om een bord te maken waar reserveonderdelen van een ballastpomp aan opgehangen moesten worden, maar naarmate de zeeziekte een steeds grotere tol van me eiste en ik me per slot zo slap als een dweil voelde, kwam er weinig meer uit mijn handen. Hierdoor kreeg ik ook nog te verduren dat de second rot tegen me deed. Bij alle andere narigheid die ik moest doorstaan, kon ik op zo een moment wel janken. Na mijn eerste dag aan boord heb ik al gezegd, dat me nog heel wat te wachten stond voordat ik tot een goed zeeman was gevormd en blijkbaar hoorde daar ook bij het totaal geen mededogen hebben met een zeezieke leerling, maar hem zo nu en dan flink uit te kafferen. Zelf vond ik dat ik inmiddels al genoeg 'vorming' had genoten en verlangde ik naar betere tijden. Gelukkig kwamen die ook.

Na ongeveer drie dagen werden de weersomstandigheden beter, de Murena ging niet meer zo te keer en allengs verdween mijn zeeziekte. Bij het aanlopen van de Straat van Gibraltar was er qua weer geen vuiltje meer aan de lucht en zelf voelde ik me ook weer kiplekker. Overigens moet ik hier wel bij zeggen, dat ik gedurende al de jaren dat ik op zee zat een beetje last van zeeziekte hield. Bij ruw weer en slingerend, stampend of rollend schip, voelde ik me altijd wat katterig. Meestal duurde het een dag voordat ik weer gewend was aan de onstuimige bewegingen van het schip, maar zo zeeziek als tijdens mijn eerste reis zou ik gelukkig nooit meer worden. Ook moet ik vertellen dat, mocht ik gedacht hebben dat bij die oversteek van de Golf van Biskaje de omstandigheden voor wat betreft zeegang en wild te keer gaand schip niet erger konden, ik er in de loop der jaren achter kwam, dat het nog veel beroerder kon.

Inhoudsopgave