7. Betere tijden voor de boeg

Dirty books
'Spaans' benauwd
Een vereerde opdracht en Rode Hond
Een geflipte Sheik
De bedriegers bedrogen
Me no sabbie
Even weer achter Kaap Kont

De vaart door de Straat van Gibraltar was een openbaring. Bij tijd en wijle kreeg ik de gelegenheid om aan dek te gaan en voor het eerst proefde ik iets van de verwachtingen die ik had van de Wereldzeeën bevaren en verre landen zien. Gibraltar werd aan bakboord gepasseerd. De stad lag te blakeren in het zonlicht en de vele amfitheaterswijs gelegen witte huizen en gebouwen gaven een schitterende aanblik. Na de nare ervaringen van de voorgaande dagen bekroop mij een niet te omschrijven gevoel van opwinding. Voor het eerst aanschouwde ik een stukje van een ver en vreemd land, en ik kreeg iets over me van: 'Zo heb ik me varen voorgesteld'. Een gedachte die werd versterkt doordat aan stuurboord de kust van Marokko goed was te zien. De witte huisjes van de verspreid liggende dorpjes staken helder af tegen het bruingele landschap van de glooiende kuststrook. Er kwamen beelden in me op van gesluierde vrouwen, van mannen in kaftans en van kasba's waar exotische dingen te zien waren. Beelden die ik alleen van plaatjes kende. Verwachtingsvol keek ik er naar uit ze eens in werkelijkheid te zien.

Geen last meer van zeeziekte hebbend, weer kunnen schransen van alles wat de kok schafte, de gewaarwording dat ik inmiddels zeebenen had gekregen, plus de pas opgedane indrukken tijdens de passage door de Straat van Gibraltar, maakten dat ik me best gelukkig voelde. Het ontieglijk balen en afzien van de dagen ervoor was vergeten. Er vond een ommekeer in me plaats die me de kick gaf om verwachtingsvol mijn verdere zeemansleven tegemoet te gaan. In de Middellandse Zee volgde de Murena de Noord -Afrikaanse kust. Bij avond en bij nacht waren in de verte de ontelbare lichtjes van de steden en de dorpjes te zien. Een feeëriek gezicht. Op al mijn reizen langs de kusten van alle continenten, zou ik nog talloze keren van zo een uitzicht genieten. Vooral bij het passeren van grote steden die tegen berghellingen aanlagen, gaven al die lichtjes, met daartussen kleurrijke lichtreclames, een onvergetelijk schouwspel. Alsof boven die steden een gigantisch vuurwerk was afgestoken en de uiteenspattende gekleurde vuurballen niet doofden, maar in de lucht bleven hangen.

Naar het oosten varend, bij kalme zee, werd het merkbaar warmer. De blauwe uniformen verdwenen in de kast en de tropenkleding werd het dagelijks tenue. Een lekker temperatuurtje noodde om zoveel mogelijk aan dek te vertoeven. Als leerling kreeg ik daartoe doordeweeks weinig kans, maar op mijn vrije zondag zwierf ik over het hele schip. Op de bak kijken hoe de Murena met een 12-mijls vaart de zee doorkliefde, waar ik zo nu en dan 'boertjes' (dolfijnen) zag die het schip met gemak bijhielden. Regelmatig sprongen ze boven water uit en maakten ze er een spelletje van om vlak voor de boeg langs te schieten. Ook ging ik regelmatig naar het achterdek. Staand bij het heklicht, keek ik dan het kielzog na. Als een lang, recht wit spoor liet het schip dit achter zich, tot het heel in de verte weer met de zee versmolt. Vaak stond ik aan de reling op het sloependek, turend naar de einder, of kijkend naar de boeggolf die met ontelbare witte luchtbellen onder me voorbij schoot. Daarbij kwam ik tot de ontdekking dat de Middellandse Zee inderdaad blauw is. Diep donkerblauw. Wat in liedjes werd bezongen, zag ik nu met eigen ogen.

Al deze nieuwe indrukken nam ik gretig in me op. Ze droegen er in niet geringe mate toe bij dat ik me steeds beter thuis ging voelen op zee. Inmiddels had ik ook al heel wat scheepstermen en scheepsuitdrukkingen opgepikt, wat me het gevoel gaf dat ik op dat gebied ook al heel wat meer zeeman begon te worden, maar niettemin ging ik daar toch nog wel eens de mist mee in. Zoals die keer toen een collega-wtk me vertelde dat een passerend vrachtschip een 'zaadzak' was. Ik dacht dat het dus wel zoiets als een graanschip zou zijn. Totdat men mij vertelde dat in het scheepsjargon een Engelsman zaadzak werd genoemd. Waarom ben ik nooit aan de weet gekomen. Nadat we Malta achter ons hadden gelaten, was het nog ongeveer vier dagen varen naar Port Said. Door de verhalen over de bijzondere dingen die daar waren te beleven, was ik bar nieuwsgierig geworden, en die vier dagen konden me niet snel genoeg gaan.

Helaas werd mijn enthousiast verlangen om nieuwe ervaringen op te doen enigszins getemperd toen op een van die dagen, midden in de nacht, de deur van mijn hut werd opengegooid en de hoofdwtk me toebrulde: “ Hé meester, waarom lig jij in je nest! Er is werk te doen en er valt wat te leren!”. Ik wist niet hoe snel ik uit mijn kooi moest komen. Slaapdronken trok ik al struikelend mijn ketelpak aan, absoluut niet wetend waarom ik moest komen opdraven. Dat werd me echter snel duidelijk gemaakt. Van de stuurboordsmotor was een verstuiver blijven hangen, en om die te kunnen vervangen had men die motor moeten stoppen. En dat had ik moeten horen! Daarvoor had ik niet gepord hoeven worden, ik had uit eigener beweging al in de machinekamer moeten zijn! Vergezeld van de nodige krachttermen, werd me dit door de baas in niet misverstane bewoordingen onder de neus gewreven. Eerder heb ik al verteld dat me nog heel wat te wachten stond voordat ik tot een goed zeeman was gevormd en op mijn donder krijgen door niet wakker te worden van een gestopte motor, is hiervan weer een voorbeeld. Later, als het soms wekenlange gedreun van de motoren plotseling stilviel, of als er ineens iets veranderde in het monotone machinekamerlawaai, werd ik, nét als andere wtk's, wél wakker. Maar toen voer ik dan ook al heel wat langer. Het werd een soort beroepsinstinct, dat je op elk schip uit je slaap haalde als er 'beneden' (de machinekamer) iets abnormaals aan de hand was. Ter verduidelijking van wat ik hier vertel: Op een tanker bevonden de hutten van de wtk's zich op het achterschip. Alleen gescheiden door een gang en een niet geïsoleerde stalen wand, lagen de hutten als het ware direct tegen de machinekamer aan. Hoewel enigszins gedempt, waren de machinekamergeluiden altijd wel in je hut te horen.

Dirty books
Toen we Port Said naderden, was ik bezig in de werkplaats die op gelijke hoogte lag met het tankdek. Door de geopende zware waterdichte deur had ik vrij uitzicht naar buiten en zag ik de skyline van de stad gestaag naderbij komen. Elke keer als de Murena een beetje van koers veranderde, gleden beelden van een en al bedrijvigheid van komende en gaande schepen voor de haven als in een film aan me voorbij. Om alles beter te kunnen zien waagde ik een paar stappen op het tankdek, waar ik op hetzelfde moment boven me hoorde: “ Wat doe jij aan dek. Volgens mij hoor jij daar niet!”. Shit! De baas. Schielijk trok ik me terug, om flink balend weer aan het werk te gaan. Ik zei het al eerder, mijn eerste hoofdwtk was een bullebak. Bovenstaand voorval speelde zich af in de middaguren en tegen de tijd dat mijn werktijd erop zat, waren we afgemeerd aan de grote meerboeien voor de ingang van het Suezkanaal waar gewacht moest worden op de samenstelling en het tijdstip van vertrek van het eerstvolgende zuidgaande konvooi. Na snel gedouched te hebben, spoedde ik me naar het dek (hutdeur op slot, want er was me verteld dat je hut in een mum werd leeggeroofd) om me te vergapen aan alles wat er op en rondom het schip te zien en te beleven was. Er ging een wonderlijke wereld voor me open. Steeds meer schepen verzamelden zich voor de ingang van het kanaal. Vrachtschepen, tankers, passagiersschepen, oorlogsschepen, allemaal meerden ze af aan de meerboeien, waar ze terstond belaagd werden door grote aantallen kooplieden in kleine bootjes. Het wemelde ervan. In allerlei talen, de een nog geestdriftiger dan de ander, boden ze hun koopwaar aan. Enkelen hadden het blijkbaar op een akkoordje met de kapiteins weten te gooien en mochten hun negotie aan boord slijten. Zo klommen er ook een paar aan boord van de Murena, waar ze op het achterdek hun poefen (mooi voor je ouwe moers kont), kameelzadels, tapijtjes, mooi bewerkte kleedjes en wanddoeken en een groot assortiment aan andere begerenswaardige souvenirs, uitstalden. Alles 'very cheap'.

Dat de kooplieden goed op de hoogte waren van de zuinige aard van de Hollanders, bleek wel uit hun commentaar als er na veel afdingen geen overeenstemming over de prijs werd bereikt: “Kaike, kaike hè, en niet kope. Kope, kope en niet betale ...” Waarbij de zin werd afgemaakt met een onvervalste Hollandse gvd. Of: “Je moeder voor een haarkam”, daarmee doelend op de Hollandse gierigheid. Ik hoef niet te zeggen dat ik dit alles prachtig vond. Amper twee weken van huis, en ik bevond me in Egypte. Stond ik ineens tussen allemaal kerels in lange witte jurken die een brabbeltaal spraken waarvan ik niets, maar dan ook helemaal niets van verstond. Het klonk ongeveer als 'Hinderrrre hinderrrre anderrremanskinderrrre zijngeenkinderrre' en 'Gabbele gabbele Achmed, assema gèl is'. Was tussen de uitgestalde spullen iets van je gading, dan kon je betalen met alle mogelijk valuta. Ook kon je het gekochte afrekenen middels een intekenlijst. De koopman ging met die lijst naar de kapitein om het besteedde bedrag te innen, waarna de kapitein dit bedrag verrekende op je gagestaat. Ik had geen rooie cent op zak en dus maakte ik gebruik van die intekenlijst om in het bezit te komen van een kameelzadel. Een zitje, bestaande uit vier houten kameelpoten met daarop een leren kussentje. Ik dacht dat ik dat ding voor een habbekrats had weten te bemachtigen, maar later zeiden collega's dat ik er toch nog veel te veel voor had betaald. Maar ja, wist ik veel. Ik had in dat soort dingen nog niet de ervaring die zij al wel hadden. We hadden het geluk dat 'Kippetje Kippetje' ook aan boord kwam. Een artiest die deze naam dankte aan zijn gegoochel met levende kuikentjes. Onder het uitspreken van 'kippetje kippetje', toverde hij ze overal vandaan. Van achter je oren, uit je neus, je overhemd, je broekzakken, je broekspijpen, overal 'zag' hij een kuikentje en haalde het tevoorschijn. Dezelfde fratsen haalde hij ook uit met munten die hij aan de omstanders voor zijn act ter leen vroeg. Erbij zeggend, dat hij na de voorstelling als beloning voor zijn optreden, één geldstuk zelf hield. De rest van de munten zou iedereen weer netjes terugkrijgen. En dat gebeurde ook. Onder de ogen van 'Kippetje Kippetje' werden de teruggegeven munten geteld, en dat klopte precies. Alleen, naderhand in je hut de munten nog eens natellend, bleken het er ineens veel minder te zijn. Of het waar is weet ik niet, maar later is me verteld dat 'Kippetje Kippetje' een beroemd illusionist in een Parijse nachtclub is geworden.

Er kwamen ook figuren aan boord met koopwaar dat het daglicht blijkbaar niet mocht zien. Op de slinkse manier waarop deze lieden hun handel aanboden, gaven ze tenminste de indruk dat ze, als ze werden betrapt, een raar gat zouden indraaien. Met de nodige omzichtigheid benaderden ze je, om vervolgens uit hun mondhoek te mompelen: “Dirty books, sir?”. Vieze boekjes dus. Die overigens niets voorstelden. Ze bevatten flutverhaaltjes, geschreven in bar slecht Engels en gedrukt op een paar velletjes papier die meestal willekeurig tot een soort schoolschrift aan elkaar waren geflanst. Geen hoogstaande literatuur om eens rond te neuzen in de wereld van de erotiek. Het grappige is, dat deze lectuur onverbrekelijk met Port Said is verbonden. Want noem je in gezelschap van (oud)-zeelieden de naam van deze stad, ze zullen ogenblikkelijk reageren met: “Dirty books, sir?”.

Verankerd aan de meerboeien bleven we de nacht over, alsook nog een groot deel van de volgende dag. Er waren geen kooplieden meer aan boord. Ze waren naar andere schepen vertrokken om daar hun spullen aan de man te brengen en het leuke was nu om te kijken naar het passerende konvooi dat het Suezkanaal uit zuidelijke richting verliet. Was de afstand met een passerend Nederlands schip niet te groot, dan was er veel geroep over en weer. Meestal pesterijen met een ondertoon van lotsverbondenheid. Het Shellembleem op de schoorsteen van de Murena gaf bijvoorbeeld aanleiding om te horen te krijgen:”SHELL, Stinkt Hevig En Loopt Langzaam!”. Of: “Varen bij de Shell, is werken in de hel!”.

Passerende oorlogsschepen en schepen van de Shell werden gegroet door de vlag te strijken. Op dezelfde wijze werd deze groet beantwoord. Ik had een klusje aan dek en kon dit alles mooi bekijken.

In de loop van de middag werd de noordelijke ingang van het Suezkanaal vrijgegeven en kort daarna ontmeerden de wachtende schepen een voor een om met een flinke onderlinge afstand op te stomen naar de ingang van het kanaal. Een machtig gezicht. Door de bedrijvigheid die hieraan vooraf was gegaan - loods aan boord nemen, voor en achter maken, ratelende winches om een tweetal kanaalmeerboten (inclusief een stuk of vier Egyptenaren) aan boord te nemen en het voor vertrek klaarmaken van de machinekamer - had zich een nieuwsgierige spanning van mij meester gemaakt. Om te beginnen werd die bevredigd toen we het kanaal binnenvoeren. Als een enorme blikvanger aan de ingang van de haven van Port Said, gleed het standbeeld van Ferdinand de Lesseps, bouwer van het Suezkanaal, aan stuurboord voorbij. Net zo indrukwekkend was de reclame voor het whiskeymerk Johnnie Walker. Als een reus stak dit zinnebeeld van deze wereldberoemde whiskey - een mannetje met lorgnet, hoge hoed, rood jasje en rijlaarzen - als het ware boven de stad uit. Met ontzag keek ik naar dit reclameobject. Dat zoiets bestond! Verder varend, kon ik een blik werpen op de straten van Port Said, waar mannen in lange gewaden en gesluierde vrouwen zich bewogen in een warboel van trams, toeterende auto's en door uitgemergelde muilezels getrokken karren. Over de stad verspreid, zag ik her en der de slanke minaretten van de vele moskeeën boven alles uittorenen. Met verbazing nam ik alles in me op. Overigens wel met de gedachte, dat het er allemaal maar stoffig en groezelig uitzag. Wat dat betreft was mijn eerste kennismaking met het Midden-Oosten niet om naar huis te schrijven. Later, bij het aanlopen van andere havens in deze contreien, zou ik niet van gedachten veranderen.

'Spaans' benauwd
Het uitzicht op Port Said duurde niet lang. We voeren nu in het kanaal. Was het toeval, of toonde de second begrip voor een leerling die op zijn eerste reis graag alles wilde zien wat er te zien was? Hij had me in ieder geval een klusje gegeven in het centre castle, een ruimte op het tankdek onder het dekhuis van de midscheeps. De grote waterdichte deuren van deze ruimte stonden open, zodat ik goed alles in me kon opnemen wat er tijdens de vaart door het kanaal passeerde, wat op zich niet veel voorstelde. Behalve de strakke oevers van het kanaal, zo nu en dan een paar palmbomen en een groepje Arabieren met kamelen, was er niet veel méér te zien dan een droog en dor achterland. In de verte kale, bruingele bergen. Niet erg boeiend, maar voor mij waren het in ieder geval nieuwe ervaringen die ik zo goed mogelijk tussen mijn oren plantte. Het werd wat interessanter als we plaatsen als Râs el Ish, El Quantara, El Bâllah en Ismailiya passeerden. Al was het maar om de vreemde plaatsnamen, die mij het gevoel gaven toch iets bijzonders mee te maken.

Helemaal alleen in het centrecastle, bezig met mijn werk, overkwam me iets waar ik het Spaans benauwd van kreeg. Ik vertelde al, dat er twee kanaalmeerboten aan boord waren gehesen met een viertal Egyptenaren. De bedoeling hiervan was dat deze, smoezelig uitziende lieden, trossen konden uitbrengen als het konvooi onverhoopt zou moeten stoppen en de schepen in het kanaal afgemeerd moesten worden. Ik had al gehoord dat die kerels niet te vertrouwen waren, en ik schrok ik me dan ook rot toen er ineens twee achter me stonden. Intuïtief verzamelde ik mijn gereedschap, zodat ze dat niet konden jatten. Terwijl ik daarmee bezig was, werden ze steeds vrijpostiger en drukten ze zich zowat tegen me aan, me toevoegend: 'Spanish fly sir, spanish fly?'. Nu had ik wel eens opgevangen dat 'Spaanse vlieg' een of ander pepmiddel was dat te maken had met het verhogen van de libido en ik werd bevangen door de angstgedachte dat ze mij dat wilden laten innemen. Met ter plekke alle gevolgen van dien. Onnozel, ja. Maar ik had inmiddels al zoveel verhalen gehoord over de vreemde voorkeuren die Arabieren erop na hielden om aan hun gerief te komen, dat ik me onder de gegeven omstandigheden niet erg op mijn gemak voelde. Een ontboezeming, die van een naïeve reactie getuigt, maar ja, ik was net bij moeders pappot vandaan en totaal nog niet op de hoogte van wat er in de wereld te koop was.

Die langjurken werden steeds brutaler, maar gelukkig begreep ik uiteindelijk uit hun gebrabbel dat ze die rommel alleen maar wilden verkopen. Een paar gesnauwde 'shut ups!' waren toen voldoende om ze te laten afdruipen.

Tijdens het wachten bij Port Said en Suez om het kanaal in te mogen varen, kwamen er altijd wel een paar onbetrouwbare sujetten aan boord. Op mijn latere reizen en inmiddels flink door de wol geverfd, had ik er toen geen moeite meer mee om ze bij voorbaat op afstand te houden en ze met gespierde taal af te poeieren. Toch waren een paar van die snoodaards me eens te slim af. Die kerels deinsden er namelijk niet voor terug om, meestal met zijn tweeën, ongevraagd je hut binnen te komen met het smoesje handel te hebben. 'Lazer op', of krachttermen van gelijke strekking, hadden in eerste instantie dan meestal geen effect. Ze bleven gewoon doorpraten, onderwijl hun ogen de kost gevend of er iets van hun gading was. Dit overkwam me eens toen we lagen te wachten bij Suez. Twee ongure types kwamen mijn hut binnen, waarbij een van hen meteen doorliep naar mijn badkamer. Terwijl ik die vent achterna ging, zag de ander kans om in no time te verdwijnen met mijn radio en nog wat andere spulletjes. Helaas niet meer te achterhalen. De buit werd bliksemsnel in een bootje neergelaten dat langszij lag te wachten. Behalve Port Said en Suez waren er overigens heel wat meer havens waar gejat werd. Soms was het zelfs nodig om dekwachten in te zetten, daarmee te voorkomen dat er stelend gespuis aan boord kwam.

Een vereerde opdracht en Rode Hond
Nauwgezet tussen de kanaalboeien varend, op juiste afstand van de voorganger (in de machinekamer werden ze er daaps van, het ene moment het aantal omwentelingen van de motoren iets opvoeren, even later weer terugnemen), werden de Bittermeren bereikt. Hier ging de spijker erin. (Werd ten anker gegaan). Er moest gewacht worden tot het noord gaande konvooi uit Suez was gepasseerd en de wachttijd werd gebruikt om het nuttige met het aangename te combineren. De reddingsboten werden gestreken om de motoren te testen, waarbij de gelegenheid zich bood zo nu en dan een duik overboord te nemen. Gezwommen in de Bittermeren, slechts een enkeling kan het me nazeggen.

Tegen de avond werd het anker gelicht om het zuidelijk deel van het kanaal binnen te varen. Het was prachtig om te zien hoe in een bijna strakke lijn de witte, groene en rode navigatielichten van de voor en achter ons varende schepen zich aftekenden tegen de toenemende duisternis. Even na middernacht werd de Golf van Suez bereikt, waar de loods werd afgezet. Blijkbaar lag ik nog niet te kooi, want ik herinner me, dat ik voor het eerst de 'eeuwige vlam' van Suez zag. Een oranje-gele vuurkolom, veroorzaakt door de verbranding van residuegassen van een olieraffinaderij. Overal op de wereld is ergens wel zo'n vlam te zien, maar vreemd genoeg werd op Shellschepen alleen de vlam van Suez de 'Eeuwige vlam' genoemd. Komend uit de Rode Zee en de Golf van Suez invarend, was hij reeds op vele mijlen afstand te zien.

Na het verlaten van de Golf van Suez, werd via de Rode Zee koers gezet naar Straat Bab al Mendab. Aan stuurboord gleed de oostkust van Afrika voorbij (ergens lag daar Port Soedan, een plaats waar ik later nog meermalen zou komen), aan bakboord Saoedie Arabië. Er lagen een aantal dagen voor de boeg met hoofdzakelijk alleen water en lucht om ons heen, met in de verte soms een enkele keer vasteland of een paar eilandjes in zicht. Elke dag werd het warmer, wat vooral was te merken in de machinekamer, waar menige zweetdruppel ervoor zorgde dat mijn ketelpak veel vocht kreeg op te nemen. Vies plakkerig hing het aan mijn lijf. Behalve dit ongemak, beleefde ik niet veel bijzonders. Of, misschien toch. Halverwege de Rode Zee namelijk, op een zondagochtend, moest ik bij de kapitein komen. Onderweg op de 'kippenloop' (de loopbrug die het achterschip met de midscheeps verbond), kon ik niet bedenken waarom de ouwe me bij zich liet roepen, maar daar kwam ik gauw achter. Want amper in zijn hut kreeg ik te horen: “Je moet proeven”. Het bleek dat die ouwe iets had te vieren en om op zijn feestje de gasten op iets speciaals te vergastten, was hij bezig een bowl te maken. Alle ingrediënten daarvoor stonden op tafel: een flinke batterij alcoholische versnaperingen en verschillende soorten fruit. De kapitein maar mixen en na elke scheut uit de een of andere fles, kreeg ik opdracht zijn brouwsel te proeven. Waarom nou juist ìk dat moest doen, was me niet duidelijk, maar ik vond het een hele eer om bij de ouwe op bezoek te mogen komen, en daarom vroeg ik er ook maar niet naar. Misschien dacht hij wel dat de nog onbedorven smaakpapillen van een leerling het meest geschikt waren om zijn bowl op de juiste smaak te beoordelen. Ik had er geen enkele moeite mee om me met overgave van mijn taak te kwijten, maar het gevolg was wel, dat ik binnen de kortste keren in de bowlschaal een stukje sinaasappel niet meer van een stukje ananas wist te onderscheiden. Dat er toen ook geen sprake meer was van een objectief oordeel kunnen geven omtrent de smaak van des kapiteins drankgegoochel, zal duidelijk zijn.

Er staat me niets meer bij hoe lang ik het als 'bowlproever' heb volgehouden. Wel herinner ik me nog heel vaag hoe ik - moeilijk koers houdend - in een allervrolijkste bui terug naar mijn hut ging, waar ik meteen onder zeil raakte. Waarschijnlijk voor heel wat uurtjes, want van het kapiteinsfeestje later op de dag, heb ik niets meegemaakt. Vond ik ook niet erg, ik had al ruimschoots van zijn feestdrank genoten.

Als ik al last heb gehad van de gevolgen van mijn eenmalig optreden als bowlproever, dan zal dat er de volgende dag wel gauw zijn uitgezweet. Want, hoewel de zon in de tijd van het jaar nog niet zijn hoogste stand bereikte, op de breedtegraad waar de Murena zich bevond, was het toch behoorlijk warm en onder die omstandigheden werd de Rode Zee verlaten en volgde de Straat Bab El Mendab. Onder zeelui ook wel de Straat der Duizend Tranen genoemd. Ik heb me laten vertellen dat deze engte zo wordt genoemd omdat de hitte in dit gebied plotsklaps dusdanig toeneemt, dat het zweet je als tranen langs het lijf loopt.

Na de Straat Bab El Mendab was het nog ongeveer vier dagen varen naar de Perzische Golf, de P.G. genoemd. Gedurende die vier dagen gleden de kusten van Jemen en Oman voorbij en werd de Golf van Oman en de Straat van Ormuz doorkliefd. Sinds Port Said was er dagenlang bij land in zicht niets anders te zien geweest dan de roestbruine kleuren van de kust. Idem dito van het achterland en de bergen en van de eilanden die werden gepasseerd. Fascinerend, maar eerlijk gezegd erg saai.

Bij het verlaten van de Straat van Ormuz lag de P.G. voor de boeg. Het was begin november, en volgens de oudgedienden aan boord viel de temperatuur best mee en ze vertelden daarbij, hoe het tijdens de zomermaanden in de P.G. is: bloed- en bloedverziekend heet. Tijdens mijn latere reizen met bestemming Perzische Golf, raakte ik meer dan overtuigd van hun gelijk. Wat heb ik die verzengende hitte vaak vervloekt. Varend op schepen zonder aircondioning, te kooi liggend en badend in het zweet, zocht ik - zoals bijna iedereen deed - meermalen mijn toevlucht aan dek om te profiteren van het beetje wind dat de snelheid van het schip teweegbracht. Alleen met een pendekkie aan en onder de blote hemel, was het op die manier nog doenlijk om wat slaap te pakken. Hoe het er in de zomerperiode voorstond in de machinekamer valt amper te beschrijven. Er is weinig fantasie voor nodig om een beeld te vormen hoe het is om bij een temperatuur van meer dan 50 graden Celsius dagen achter elkaar te moeten werken. Om onder deze omstandigheden wat op verhaal te komen, was 't het beste om regelmatig onder een luchtkoker te gaan staan waar de verdamping van je zweet voor een beetje verkoelend effect zorgde. Zweten, continue zweten, je lekte zowat helemaal leeg. Een van de gevolgen van dit vochtverlies was zoutgebrek, en om te voorkomen dat je jezelf niet tegen kwam in de ziekenboeg, was het verplicht zoutpillen slikken. Tijdens de maaltijden stonden ze standaard in grote potten op tafel. Het overmatig en voortdurend transpireren in combinatie met het schuren van je kleding op je lijf, veroorzaakte ook nog dat er op allerlei delen van je lichaam huidirritatie ontstond. Alsof er continu duizenden naalden in je lijf werden geprikt. Omdat het er veel op leek, werd deze huidiritatie rode hond genoemd, maar het heeft niets te maken met de bekende kinderziekte. Meer waarheidsgetrouw noemden de Engelsen het 'prickley heat'. Alleen koelte en niet zweten was een afdoende remedie om er vanaf te komen. Maar krijg dat in de tropen (dus niet alleen in de Perzische Golf), en dan vooral in een bloedhete machinekamer, maar eens voor elkaar. Ten koste van vele slapeloze uren ben ik vaak geplaagd door 'rode hond'. Gewone talkpoeder, speciale 'prickley-heat powder' en het, in het Caraïbisch gebied veel gebruikte, 'Aquavelva' (een aftershave met een lekker verkoelend effect), wilde het leed soms wel eens een beetje verzachten.

Over zweten gesproken. Als je in je kooi lag, had je het er druk mee om kriebelende zweetstraaltjes van je lichaam te vegen. Soms gebeurde het echter dat dat gekriebel niet door een zweetdruppel werd veroorzaakt, maar door een kakkerlak. Dacht je “die gaat er aan” als je weer zo'n griezel meende te voelen, dan bleek dat je jezelf kastijdde. Want in plaats van een kakkerlak een hengst te geven, kletste je dan op een stroompje zweet. Kakkerlakken, op veel schepen maakten deze onappetijtelijke insecten deel uit van de vaste inventaris aan boord. Hele legers. In je hut komend, was dikwijls de eerste handeling jacht op ze maken met de flitspuit. En hoewel er op die manier veel krepeerden, waren ze niet uit te roeien. Ik heb meegemaakt dat tijdens het dokken het schip met blauwzuur werd uitgegast om ze het loodje te laten leggen. Maar na een paar weken op zee werd de jacht met de flitspuit al weer routine.

In de Perzische Golf was redelijk veel scheepvaartverkeer. Bij uitzondering eens een vrachtschip of een 'dhow', een specifieke Arabische houten boot met één groot vierkant zeil. Voor het overige alleen maar olietankers die, volgens de koersen die ze voorlagen, schijnbaar allemaal naar dezelfde haven gingen of er vandaan kwamen. Alhoewel dit komen en gaan van tankers nog lang niet was zoals het in de toekomst zou worden, duidde het erop dat er al flink wat olie uit de Arabische landen werd gehaald.

Goed drie weken na het vertrek uit Amsterdam, werd Mina al Ahmadi bereikt. Na ongeveer drie en een halve week geen vaste wal onder de voeten te hebben gehad, werd dat nu dus weer even mogelijk. Alleen, waar naar toe? Mena, de gangbare benaming voor Mina al Ahmadi, bestond alleen uit een grote laadsteiger, met aan de wal een fiks aantal olieopslagtanks en verder tot aan de horizon, zand, zand en nog eens zand. Om het verbod van de autoriteiten om de wal op te mogen, was dan ook niemand rouwig. Er was toch niets, maar dan ook helemaal niets te beleven. Door lekolie bij het laden, en door zogenoemde overflows (overlopende ladingtanks door het niet op tijd dichtdraaien van afsluiters), was het water bedekt met een laag olie waardoor er constant een oliestank om je heen hing. Niet alleen persoonlijk ongemak, maar ook nog bloedje link. Wat dit laatste betreft, pas veel later na de nodige ongelukken, werden de veiligheidsmaatregelen aangescherpt. Hoe dan ook, Mena, geen aantrekkelijke havenplaats om naar uit te kijken. Zelfs niet als je begon te balen van de eentonigheid van een aantal weken op zee met alleen maar water en lucht om je heen en de routine van alledag. Aan het eind van de laadsteiger stond als enig vertier een soort boetje waar gerookt mocht worden en waar mierzoete limonade werd geschonken. Ooit las ik dat iemand dit brouwsel beoordeelde als: “ Het is alsof je een zoen van flikker krijgt”. Waarvan acte. Dat bocht was overigens wel gratis. Waarschijnlijk een vriendelijke geste van een rijke oliesheik.

Het zal duidelijk zijn dat ik al heel snel de mening van de ervaren collega's deelde om maar weer zo gauw mogelijk uit dit van God verlaten oord te vertrekken. En net als zij, hoopte ik er nooit meer terug te komen. Dat de volgende reis toch weer Mena werd, kon ik op dat moment niet bevroeden. Net zomin als ik kon weten dat ik toekomstig op andere schepen nog meermalen in de P.G. terecht zou komen. Behalve nog een paar keer in Mena, kwam ik daarbij ook in plaatsen als Abadan, Ras Tannurah, Bahrein, en meer van die onsoortige plekken. Allemaal van hetzelfde laken een pak. Geen moer te doen en altijd heet, bloedheet. Het zal geen verbazing wekken, dat, als een schip 'orders for Persian Gulf' kreeg, de hele bemanning baalde als een stier.

Gelukkig duurde het laden in Mena slechts anderhalve dag en was iedereen blij dat er meteen daarna voor en achter gemaakt kon worden. Inmiddels waren er vaarorders ontvangen die luidden: 'Land's End for orders', de zuidelijkste punt van Engeland dus. Hoewel de eindbestemming daarmee nog niet bekend was, veroorzaakte deze order wel de nodige opwinding. Immers, het kon betekenen dat de definitieve eindbestemming Pernis kon worden. En het werd Pernis. Maar voorlopig was het zover nog niet...

Een geflipte Sheik
Ongeveer een dag na het vertrek uit Mena viel ik in de prijzen. De vriesmachine was in de prak gedraaid, en met een vriescel vol halve koeien en varkens en ander ingevroren voedsel en een koelcel met verse groenten en fruit, betekende dit een ramp. Om dit onontbeerlijk werktuig weer aan de praat te brengen was snel handelen dus geboden. Zonder in technische details te treden, hield dit in dat de machine vrijwel geheel gedemonteerd moest worden om stukgeslagen kleppen en een kromme zuigerstang te vervangen. Ook was het nodig om nieuwe flenspakkingen voor een aantal losgekoppelde leidingen te maken. Een klus waarover ik me moest ontfermen door in de werkplaats met een holpijp ringen te stansen uit een plaat lood en deze ringen als de bliksem aanleveren in de vriesmachinekamer. Misschien beïnvloed door de tijdsdruk die ik bij de andere wtk's voelde, deed ik mijn stinkende best om me zo snel als mogelijk van mijn opdracht te kwijten. Maar zoals zo vaak, haastige spoed is zelden goed. Want in plaats van rustig te lopen van de werkplaats naar de vriesmachinekamer, waarbij een openstaande waterdichte deur met een hoge drempel gepasseerd moest worden, deed ik dat rennend. Daarbij stápte ik niet over die drempel, maar spróng ik er overheen. Helaas vergetend mijn hoofd in te trekken, met als resultaat dat ik prompt tegen de vlakte ging en voor Pampus lag. Weer bij mijn positieven, sloeg de schrik me om het hart: “Misschien wachten ze wel op me”. En met deze plichtsgetrouwe gedachte spoedde ik me naar de vriesmachinekamer, waar ik gelukkig niet werd verwelkomd met “Waar bleef je verdomme zo lang”, maar met “Waarom stroomt er bloed langs je kop?”. Een constatering die nog niet tot mezelf was doorgedrongen, maar die wel waar was. Het gevolg van een flinke wond op mijn kruin. Nadat de wond door iedereen goed was bekeken, gaven ze allemaal het meest voor hand liggende advies: “Ga maar naar de chief, een leuk klusje voor hem”. Naar de eerste stuurman dus, aan boord de 'papieren dokter' genoemd omdat deze 'scheepsmedicus'' bij voorkomende gevallen eerst de geneeskundeboeken moest raadplegen alvorens tot een juiste diagnose en behandelwijze te komen. Voor mij betekende zijn optreden als dokter dat ik een aantal dagen voor aap liep met een gigantisch verband om mijn hoofd. Ik liep erbij als een geflipte sheik. Mijn memoriaal vertelt me dat ik de volgende dag gewoon weer aan het werk ging. Ik zei het al eerder, een zieke zeeman is geen zeeman. En zéker een leerling met een gat in zijn kop, hoefde niet in de watten te worden gelegd. Dat ik ook een flinke hersenschudding had opgelopen, daar werd niet bij stilgestaan...

De bedriegers bedrogen
De verdere terugreis naar wat uiteindelijk dus Pernis zou worden, verliep zonder veel andere noemenswaardige ervaringen dan die ik al had opgedaan tijdens de heenreis toen alles nog nieuw voor me was. Bij al dat nieuwe was ook iets waarover ik nog niet heb gerept, en wel hoe op de vaart geprobeerd werd om een adspirant zeeman te pakken te nemen. Het begon al als een nieuweling opstapte in een Nederlandse haven en het schip bijvoorbeeld koers zette richting Azoren. Een dag of wat voordat deze eilandengroep werd gepasseerd, werd met een stalen gezicht kond gedaan dat het zaak was nog gauw even een brief voor thuis te schrijven. Want: 'Bij de Azoren komt het postbootje langszij'. Trapte je in je onschuld in die aansporing om het thuisfront melding te maken van wat je kwijt wilde, dan kwam je er al gauw achter dat dat van dat 'Postbootje' baarlijke nonsens was. Al was het alleen al omdat de Azoren helemaal niet eens in zicht kwamen, laat staan dat er een postbootje langszij kwam. Maar ook kwam je er wel achter doordat je werd gepest met de dingen die je had geschreven. Dit duidde er dus op dat je brief door de collega's geopend en gelezen was. Niet zo fraai, maar dan had je maar niet zo stom moeten zijn om dat postbootjeverhaal te geloven. Ik was ook 'getipt', maar op een moment dat ik door zeeziekte niet eens blij was dat ik leefde en er in de verste verte niet aan dacht om het thuisfront op de hoogte te stellen van mijn wederwaardigheden op zee of van andere zaken die me bezig hielden. Misschien is dit wel het enige voordeel van mijn zeeziekte geweest, want nu kon ik in ieder geval niet gepest worden met zieleroerselen die ik anders wellicht aan het papier had toevertrouwd.

Op een andere manier was ik wél een keer de sigaar. Op een ochtend, ergens op de Middellandse Zee, waren behalve de baas en de collega's die de wacht hadden, alle andere 'torn toe' (overwerk) makende wtk's in de werkplaats verzameld voor pikheet (schafttijd). Mijn werk bestond die dag uit het nakijken en eventueel repareren van reserveonderdelen van hulpwerktuigen. Ik had al een paar onderdelen klaarstaan om opgeborgen worden en de second gaf opdracht om ze meteen na pikheet aan de 'machinekamerhefboomas' op te hangen. Waar ik die kon vinden? “In het magazijn natuurlijk”. Tsjonge, tsjonge, wat een domme leerling toch. Dat hij dat niet wist. Ik had er geen idee van hoe een machinekamerhefboomas er uit zag, maar om niet voor nog dommer te worden aangezien vroeg ik niet om uitleg, maar dacht er vanzelf wel achter te komen als ik eenmaal in het magazijn was. Een misvatting dus. Hoe ik ook speurde, ik zag niets dat ook maar een beetje op een machinekamerhefboomas leek. Schoorvoetend meldde ik me bij de second om op te biechten dat ik dat ding niet kon vinden. Hij stuurde me echter linea recta retour met: “Dan kijk je niet goed”. Ik vond het wel een beetje vreemd dat, ondanks dat de pikheettijd allang om was, niemand weer aan het werk was geggaan. Pas later drong het tot me door dat ze verwachtingsvol hadden zitten wachten hoe lang het zou duren voordat ik in de gaten kreeg dat ik in de maling werd genomen. Tot hun genoegen werd dat een flinke poos. Tussentijds kreeg ik twijfels omtrent het bestaan van een machinekamerhefboomas, maar de benaming klonk wel erg technisch en eigenlijk wilde ik ook niet in het bijzijn van iedereen voor de tweede keer voor schut gaan. Uiteindelijk besloot ik toch maar met de billen bloot te gaan en bekende dat ik niet wist wat een machinekamerhefboomas was. Geen leuker vermaak dan leedvermaak. Alleen niet voor het slachtoffer. Als een boer die kiespijn heeft, heb ik maar een beetje meegelachen. Wat ik gedurende de uren erna ook nog meerdere malen deed, want aan boord wordt weinig van iemand voor iemand verborgen gehouden. Behalve op bovenstaande manier tuk genomen te worden, werd een leerling er ook wel op uitgestuurd om een 'bilgedweil' te halen bij bijvoorbeeld de hoofdwtk. Die had dat ding dan net aan een ander gegeven, die hem 'toevallig' ook weer had uitgeleend. En zo werd je van het kastje naar de muur gestuurd, om er uiteindelijk achter te komen dat een bilgedweil helemaal niet bestond. Bij het lezen van deze, op zich flauwe grappen, kan wellicht de gedachte opkomen dat de schranderheid van aankomende zeelui niet om naar huis te schrijven was, maar nog onbekend met de specifieke scheepstermen en leergierig om ze eigen te maken, klonk alles uit de mond van ervaren collega's aannemelijk. Alles werd al snel geloofd. Ook als er complete onzin werd uitgekraamd. Bovendien was het een goede leerschool om bestand te raken tegen de hardvochtige manier waarmee je werd bejegend als je onderuitging.

Voor een leerling stuurman was de geëikte opdracht om, op last van de stuurman van de wacht, de kompassleutel in de machinekamer te halen om het standaardkompas bij te stellen. Dit kompas bevond zich op het 'schavotje', het hoogst gelegen dek van de midscheeps. Vanuit de machinekamer moesten vele meters worden afgelegd en heel wat trappen opgeklommen om het schavotje te bereiken. Met veel tegenzin alsof het ding eigenlijk niet te missen was, werd de leerling door de wtk van de wacht een moersleutel meegegeven die, na terugkomst bij de opdrachtgever, prompt werd afgekeurd als zijnde een te kleine, en dus de verkeerde sleutel. Met deze mededeling ging de leerling retour machinekamer, waar hij een grotere sleutel meekreeg. Die natuurlijk ook niet paste. Dit ging zo door, totdat het tot de leerling doordrong dat de opdracht “haal even de kompassleutel om de kompasnaald bij te stellen”, onzin was.

Zelf maakte ik het eens mee dat ik een leerling een sleutel meegaf die werd gebruikt voor de moeren van de kruiskoppen van de hoofdmotor. Loodzwaar, amper te tillen, en nog zie ik die arme hals met hulp van een Chinese handlanger dat ding de trappen van de machinekamer opzeulen. Eenmaal op de brug aangekomen, kreeg hij natuurlijk te horen wat hij al een paar keer eerder had gehoord: “Niet goed”. En dat was het moment waarop het tot hem doordrong dat hij in de maling werd genomen. Razend was hij, en met een: 'Oh, is deze ook niet goed!', wurmde hij die zware moersleutel over de rand van stuurboordsbrugvleugel. Een doffe plons en opspattend zeewater gaf aan dat het ding voor eeuwig verloren was. In de gemoedstoestand waarin de stuurmansleerling op dat moment verkeerde was zijn reactie begrijpelijk, maar het beroerde was, dat nou juist deze sleutel écht onmisbaar was. Het was de enige die we voor voornoemde doeleinden hadden, en het kan best zo zijn dat die leerling heeft gedacht: “Mooi, de bedriegers bedrogen!”.

Me no sabbie
Van alle ervaringen die ik tijdens mijn eerste reis opdeed, heb ik nog niet verteld dat ik bij voet aan boord zetten te maken kreeg met Chinezen. Als klein jongetje had ik ze alleen maar gezien als armoedig geklede mannetjes die pindabrokken verkochten. ('Lekka, lekka, pinda, pinda'). Van dichtbij had ik ze nog nooit meegemaakt en ik schrok me lam toen er na mijn eerste nacht aan boord ineens zo'n 'spleetoog' in mijn hut stond met de vraag of hij mijn kooi mocht opmaken. Deze eerste kennismaking was het begin van een jarenlange omgang met Chinezen. Op bijna elk schip waarop ik heb gevaren, vormden ze de 'crew' en maakten ze als zodanig deel uit van mijn dagelijks leven. Over het algemeen werd aan boord over 'de crew' gesproken als het om personeel ging beneden de rang van officier. De crew was verdeeld in een dekdienst (matrozen, kwartiermeesters, kabelgast, timmerman), een machinekamerdienst (olielieden, stokers, handlangers) en de civiele dienst (koks, hofmeesters, bedienden). Van deze diensten werd bij een Chinese crew de baas van de dekdienst betiteld met 'bosun' en die van de machinekamerdienst met 'number one'. Bij de civiele dienst zwaaide de 'chief steward' de scepter. De crew van de Murena bestond uit zo'n dertig man en met hen deed ik de eerste ervaringen op met mensen uit een totaal andere wereld. Hoewel ik redelijk op de hoogte raakte van de gewoonten en gedragingen van Chinezen, ligt het niet mijn bedoeling die hier uiteen te zetten. Wel wil ik even kwijt, dat het met Chinezen bijzonder prettig varen en werken was. Prima zeelui, die onder alle omstandigheden, hoe beroerd soms ook, zonder morren deden wat van hen werd verwacht. Nimmer heb ik meegemaakt dat ze in opspraak kwamen. Ook betrokken ze je nooit bij hun problemen. Dit duidt er al op, dat ze een zeer gesloten gemeenschap vormden, wat tevens de verklaring is dat er weinig contact met hen was. Waarbij ik wel moet zeggen, dat in de jaren vijftig de hiërarchische verhoudingen aan boord vrij strak waren, met een scherpe scheiding tussen de officieren en de crew. Soms wisselde je tijdens je vier uur durende wacht geen stom woord met de stoker en olieman. Kwam het op de een of andere manier wèl tot een gesprek, dan beperkte zich dat meestal tot wat algemeenheden of opdrachten en aanwijzingen betreffende het werk. Dat gebeurde dan in het rare taaltje dat Chinese zeelui zich eigen hadden gemaakt, 'Pidgin English'. Zeg maar een soort Steenkoolengels, waarbij de werkwoorden altijd, en vele andere woorden meestal op 'ie' eindigden. Het Engelse persoonlijk voornaamwoord I werd nooit gebruikt. Bijvoorbeeld “I like you”, werd “me li-kie you”. Of: ''I will finish this job tomorrow'', werd ''Me makie finisie dizsie one job tomollo''. Hoe dit taaltje een eigen leven leidde, is te illustreren met het gegeven dat, als je je in perfect Engels uitdrukte, je als antwoord kreeg: 'Me no sabbie''. ''Ik begrijp U niet''. In dit verband heeft zich eens het volgende grappige voorval voorgedaan. Eens werd een Hollandse stuurman tijdelijk overgeplaatst naar de Engelse tak van de Shellvloot, waar hij geplaatst werd op een tanker met een Chinese crew. Op een van de reizen met dit schip moest ergens ten anker worden gegaan en tegen de tijd dat de ankerplaats werd bereikt, gaf de Engelse kapitein (in perfect Engels uiteraard) de Chinese uitkijk opdracht om naar de timmerman te gaan en deze te waarschuwen dat hij zich naar het voorschip diende te begeven om zijn plaats bij het ankerspil in te nemen. (Het was de taak van de scheepstimmerman om op het sein van iemand op de brug het anker te laten vallen). Echter, op zijn herhaalde opdracht aan de uitkijk: “Go to the carpenter and tell him he has to go foreships for dropping the anchor'', kreeg de kapitein elke keer te horen: “Me no sabbie”. De Hollandse stuurman die goed uit de voeten kon met het pidgin english, bracht gelukkig uitkomst door de uitkijk toe te voegen: “Dizsie one captain speaky, you go tamelo and makie tell him he go foreside and can do leggo anchor”. Waarop de uitkijk antwoordde met: “Olleit, olleit, can do, me sabbie”. Om daar nog aan toe te voegen: “Dizsie one captain no speaky english!”. Of de bewuste kapitein zich hierdoor aangesproken heeft gevoeld, weet ik niet.

In de loop der jaren maakte ik me dit rare Chinese zeemanstaaltje heel goed eigen en er schieten me heel wat situaties te binnen die door dit koeterwaals vaak grappiger werden dan de bedoeling was. Misschien komen ze in volgende verhalen nog wel eens uit de verf.

Even weer achter Kaap Kont
Ik vertelde al dat in de Perzische Golf orders voor Lands End waren ontvangen en dat de uiteindelijke bestemming Pernis werd. De definitieve bekendmaking van deze mazzel kwam echter pas toen we al in de Golf van Biskaje voeren. Het was me voor die tijd al opgevallen dat het gedrag van de oudgedienden zenuwachtige trekjes begon te vertonen, wat vooral te merken was aan de vele tijd die ze rondhingen bij de marconist en hem keer op keer vroegen: “Weet je al waar we naar toe gaan?”. Zelf was de sparks al net zo nieuwsgierig en met meer dan gewone belangstelling luisterde hij naar Scheveningen Radio die de bestemmingen van schepen doorgaf. Toen dan eindelijk het bericht kwam dat de transportcoördinator van de Shell de Murena naar Pernis dirigeerde, ging er een golf van blijdschap door het schip. Zelf was ik van dit bericht nog niet zo onder de indruk. Waarschijnlijk omdat mijn zeemansloopbaan nog te kort was om precies te bevatten wat het betekende om orders voor Pernis te krijgen, maar door de gesprekken die ik volgde, begreep ik steeds meer waarom men zich zo uitgelaten gedroeg. Ik raakte onder de indruk van de verwachtingsvolle beelden die de anderen van hun hereniging met vrouw en kinderen, verloofden, familie en andere dierbaren, schetsten. Behalve het in geuren en kleuren vertellen over hoe fantastisch het weerzien van de familieleden zou zijn, werd ook menigmaal gezinspeeld op weer even achter 'Kaap Kont' te kunnen vertoeven. Details werden niet gegeven, maar aan de uitlatingen van de niet-vrijgezellen merkte ik wel, dat dit een van de hoofdthema's was waaraan werd gedacht. Zelf had ik, net voordat ik naar zee ging, een beetje scharrel gekregen, maar dat was binnen de kortste keren weer uitgeraakt. Bijgevolg was het voor mij (nog) niet weggelegd om me, naast allerlei andere prettige zaken die een weerzien inhield, op iets te verheugen waar anderen zo enthousiast naar uitkeken. Niet erg, pas twintig, en een viertal jaren later zou ook ik de gevoelens ervaren die ik nu zo nadrukkelijk bij anderen proefde.

Op volle kracht - de wtk's van de wacht werden keer op keer al dan niet gekscherend gevraagd om 'een paar klappies meer te geven' - ploegde de Murena zich door de Golf van Biskaje. Inmiddels berekenden en herberekenden de stuurlui de tijd van aankomst in Pernis en kreeg de sparks het druk met het verzenden van telegrammen naar het thuisfront. Mijn telegram luidde: 'Arriveren donderdagnacht in Pernis. Stop. Vraag naar adres. Stop. Komt er een over?. Stop. Henk'. Door slecht weer liepen we vertraging op, en genoemd bericht werd gevolgd door: 'Aankomst niet donderdag, maar vrijdag of zaterdag. Stop'. Vertrokken op 23 oktober uit Amsterdam, lag de Murena op 15 december bij Hoek van Holland voorgaats om de loods aan boord te nemen. De Nieuwe Waterweg werd opgevaren en na een reis van goed zeven weken, werden in Pernis de trossen uitgebracht om een paar dagen Hollandse bodem onder de voeten te voelen. Mijn eerste zeereis zat erop.

Eenmaal afgemeerd, haastten de familieleden van de opvarenden zich aan boord. Er volgde de ene innige omhelzing na de andere, waarna de herenigden als een haas de privacy van hun hutten opzochten. Mijn telegram had helaas niet het gehoopte effect, en dus kon ik mijn moeder, zuster en broer niet begroeten. (Jammer, maar een volgende keer kwamen ze wel aan boord. Ze keken toen hun ogen uit en luisterden ademloos naar wat ik allemaal had te vertellen). Jammer genoeg kon ik zelf niet voor een paar dagen naar ze toe, want, waar collega-wtk's onderling wachten ruilden om zoveel mogelijk aaneensluitende uren vrij te zijn om naar huis te gaan, was dat voor mij niet weggelegd. Ik was immers leerling en had nog een boel te leren. En: “Jou tijd komt ook nog wel”. De paar dagen dat we binnenlagen, deed ik dus gewoon het mij opgedragen werk.

Na Pernis volgde weer een retourtje Perzische Golf. Zeven weken later waren we dus opnieuw in Holland, maar toen 'mocht'' ik van zes uur 's ochtends tot de andere ochtend zes uur voor het eerst de zogenoemde ketelwacht lopen. Na vierentwintig uur op mijn benen te hebben gestaan, was ik daarna echt wel toe aan een paar uurtjes pitten en helaas was de tijd die er daarna overbleef te kort om de reis naar huis te maken. Met die vierentwintig uren wachtlopen ging een kans om even thuis te zijn dus aan mijn neus voorbij. Daarna zou het dik vijftien maanden duren voordat ik het thuisfront weer eens kon begroeten.

Nog even terugkomend op mijn eerste ketelwacht, ik herinner me hoe ik 's ochtends om halfzeven doodmoe in mijn kooi kroop. Ik viel als een blok in slaap, om een half uur later door iemand te worden gewekt met:”Ja, ik dacht u zult vast wel willen ontbijten, en daarna kunnen we misschien wel even een praatje maken. Ik ben Hoogeboom van de 1845”. (Een verzekeringsmaatschappij). Razend was ik op die vent, en waar ik het zo gauw vandaan haalde weet ik niet, maar ik antwoordde met: “Ja, en ik ben Kerkhof van 1930, en nou opgesodemieterd!!”. Jarenlang heb ik een hekel aan verzekeringsagenten gehad.

Na de tweede reis Perzische Golf - Pernis, volgden een paar reizen met verschillende bestemmingen. Zo zette de Murena eind april 1951 koers naar Willemstad op Curaçao, waar op 2 maart in het Schottegat werd afgemeerd. Toen ik op 9 oktober van het voorgaande jaar in Amsterdam aanmonsterde, kon ik niet bevroeden dat er in Willemstad een nieuw hoofdstuk aan mijn nog korte zeemansloopbaan toegevoegd zou worden.

Inhoudsopgave