9. Dikke schommelkonten

Curaçao, Aruba en Bonaire
Ik zie ze nog van verre
We gaan naar Holland toe
Er is geen beter leven dan bij een blanke vrouw

Vervloekt zijn alle wijven van het eiland Curaçao. Bovenstaande regels van een zeemansliedje schieten me spontaan te binnen als ik denk aan mijn CSM-tijd. Na het afmeren in het Schottegat en niet de pompwacht hebbend, was de eerste gang vaak naar de zeemansclub die op nog geen vijftig meter van de poort van het Shellcomplex lag. Altijd druk bevolkt met vooral Noorse, Zweedse en Hollandse zeelui, voor wie de Portugese barkeepers altijd druk in de weer waren om de glazen gevuld te houden. Vaak ook van de partij, werden bovenstaande versregels dan menigmaal door CSM'ers aangeheven. Maar niet alleen daar, ook in de even verderop gelegen CPIM-soos (de Shellclub voor walemployées waar ook scheepsofficieren mochten komen), schalden deze regels vele malen door de open ramen de tropenlucht in. Werd er iemand 'afgedouwd' die met verlof ging, dan klonk in het gezang van de achterblijvers vaak het verlangen door om óók de Caribiën de rug toe te keren. Met veelal nog een flink aantal maanden voor de boeg alvorens ook zij hun geliefden in de armen konden sluiten, riep het lied gevoelens van heimwee op die intenser werden naarmate het aantal keren dat het glas op de verlofganger werd geheven.

Waarschijnlijk weet niemand wie dit lied heeft geschreven, maar ik kan me voorstellen dat het een zeeman is geweest die, maanden van huis, baalde van Curaçao met zijn bijna alleen maar zwarte vrouwen. Een zeeman die naar Holland verlangde en er naar hunkerde weer eens blank vrouwelijk schoon om zich heen te hebben.

Ondanks de eentonige vaart tussen Curaçao en het Meer van Maracaïbo, waarbij zoals gezegd, tijdens het laden ergens 'in the midle of drie keer niks', weinig te beleven viel, denk ik toch met veel plezier terug aan mijn tijd bij de CSM. En dat komt vooral, omdat gedurende het lossen op Curaçao de vrije uurtjes plezierig werden besteed.

Dik veertig jaar na dato, lijkt het me overbodig een beschrijving te geven van Curaçao. Thans levend in het tijdperk van massatoerisme, kan iedereen middels brochures alles in woord en beeld aan de weet komen omtrent dit eiland. Ik ga er vanuit, dat, welke plaatjes en beschrijvingen er op die manier onder ogen worden gekregen, Curaçao er niet veel anders uit zal zien dan in de tijd dat ik er vertoefde. Waarbij wel opgemerkt, dat er toen nog geen sprake was van mammoethotels, het eiland nog niet door toeristen werd overstroomd en de bevolking alleen nog maar gewend was aan een handjevol Hollanders, van wie er velen voor de Shell werkten en die voornamelijk in Emmastad woonden.

Mijn beeld van het Curaçao van toen is, dat het er wemelde van de geiten die hun kostje opscharrelden tussen de ontelbare cactussen. In allerlei soorten en maten stonden deze vetplanten met hun zuil- en bolvormige stengels en dikke stekelige bladen overal over het eiland verspreid.


Ook zie ik de 'knoekoe' nog voor me, het dorre binnenland met als begroeiing hoofdzakelijk doornige struiken, her en der een landhuis in Hollandse stijl en eenzaam gelegen schamele onderkomens van in de knoekoe levende Curaçaoënaren. Ook heb ik nog in beeld de strandjes van fijn wit zand aan de zuidkust van het eiland en het ongewoon heldere zeewater. Meters diep kon je zien wat zich onder water afspeelde. En vanaf bijna elke punt was de 'Christoffel' te zien, de hoogste berg van het eiland. Een paar maal heb ik deze berg beklommen. Met elke keer als beloning een prachtig uitzicht over de wijde omgeving.

Meestal tien tot twaalf uur binnenliggend, was er, mits vrij van wacht, voldoende tijd om naar Willemstad te gaan en in de Punda (het centrum) wat boodschappen te doen en op een terrasje wat te drinken. Een 'potvol' bijvoorbeeld, een grote pul gevuld met een mix van Cola en Fanta. Onderwijl de altijd opgewekte Curaçaoënaren gadeslaand. Immer vrolijk, namen ze bij hun ontmoetingen de tijd voor een praatje, altijd doorspekt met lachsalvo's. Kwamen ze even daarna elkaar op een ander punt weer tegen, dan klonk hun 'konta bai' weer even uitbundig als bij de vorige ontmoeting. Alsof ze elkaar in geen tijden hadden gezien, werden er dan weer hele gesprekken gevoerd. Leuke herinneringen aan een tijd dat iedereen op Curaçao een onbezorgd leventje leidde.

Met zijn vele winkels en gezellig straatbeeld, was het prettig toeven in de Punda. Vooral in de Heerestraat was van alles te koop en aan de kade van de Annabaai was het een drukte van jewelste door de overwegend Venezulaanse barkassen, afgeladen met allerlei soorten fruit, groenten en vis. Een drijvende markt, waar Curaçaose schonen met hun dikke schommelkonten in rap papiaments (de creooltaal van de Antilianen, met veel Spaanse, Portugese, Engelse en Nederlandse elementen) aan het bekvechten waren over de prijs. De gekochte waar verdween in grote manden die ze op hun hoofd meetorsten. Bij elke stap deinde hun stevige bilpartij mee. Boeiende taferelen...

Altijd als ik de Punda bezocht, beleefde ik dus veel plezier aan alle bedrijvigheid die dit deel van Willemstad bood. Al slenterend over de kaden en door de straatjes, werd je ergens wel aangeklampt door oude vrouwtjes die loten van de Curaçaose loterij verkochten. Zoals veel CSM'ers, waagde ook ik meermalen een gokje. Maar helaas, nimmer heb ik een grote klapper gemaakt. De collega's blijkbaar ook niet, want nooit heb ik gemerkt dat er iemand spontaan de zak nam door plotselinge rijkdom.

Was na het afmeren in het Schottegat niet de Punda het doel om de vrije uurtjes door te brengen, dan was de gang in negen van de tien gevallen naar Piscaderabaai. Een lustoord waar heerlijk gezond, lekker gezwommen en regelmatig de keel gesmeerd kon worden met cubalibres. (Cuba libres) Dit laatste misschien wel als last but not least, maar zolang je aan boord nog aan de bak moest, werd de slogan "Geniet, maar drink met mate", redelijk nageleefd. Alleen tijdens het zogenoemd lokaal verlof (na ongeveer drie maanden varen een paar dagen vrijaf), werd "maar drink met mate", niet altijd serieus genomen. Over de effecten ervan kan ik best een aantal wederwaardigheden vertellen, maar die laat ik voorlopig maar even voor wat ze zijn. Ik zou de indruk wekken dat die verlofdagen alleen maar werden besteed aan het brengen van offers aan Bachus, wat zeker niet het geval was. Voor het grootste deel werden ze besteed aan sightseeing. Bijvoorbeeld de knoekoe verkennen, een kijkje nemen bij de paar zoutpannen die het eiland rijk is, of naar Westpuntbaai, waar heerlijk gezwommen kon worden. Snorkel mee om de onderwaterwereld van de Caraïbische Zee te bekijken. Fantastische beelden van schitterend gekleurde vissen en prachtige koraalformaties leverde dat op.

Bij stormweer was het een belevenis om naar de noordkant van het eiland te gaan. Huizenhoge golven spatten daar op de rotsige kust uiteen. Waar ik ook leuke herinneringen aan heb, zijn de keren dat ik werd uitgenodigd door getrouwde collega's die met hun gezin op Curaçao woonden. Na maanden van huis, een aangenaam verzetje. Een normaal huiselijk leven ontwend, was het een prettige gewaarwording om even weer te vertoeven in een gewoon huishouden. Optrekken met een gezin en leuke dingen doen. Vaak nam men mij mee voor tochtjes over het eiland, waardoor ik menig mooi plekje leerde kennen. Ook werd wel een bezoek gebracht aan het Spaanse Water, een nogal chique club waar gezeild kon worden, aan de vlakte van Hato met het vliegveld van dezelfde naam en aan al die andere plekken waar ik eerder al over vertelde. Automatisch gaan mijn gedachten hierbij ook uit naar de keren dat ik deze plaatsen met CSM-maten bezocht. Het was namelijk niet ongewoon dat er met een paar collega's een auto werd gekocht, en met zo een voor een habbekrats gekocht vehikel (ik was medebezitter van een grote Buick, verbruik 1 op 4, maar een gallon benzine kostte bijna niks) werden heel wat ritjes van oost naar west en van noord naar zuid over het eiland gemaakt.


Ook wel bij avond en bij nacht. Alleen dan niet om te sightseeën, maar om te stappen. En bij deze gelegenheden zal Bachus best wel in zijn nopjes zijn geweest, want te zijner ere werden hem dan meestal vele offers gebracht. Alcoholcontrole als stok achter de deur om niet boven je Plimsolmerk te raken, bestond niet. Je was jong en je wilde wel eens wat, en dus.... In dit verband kom ik nog even terug op het lied over Curaçao en naar Holland gaan. Bij het beschrijven van de sentimenten die het lied bij de achterblijvers teweegbracht, heb ik me niet geheel naar waarheid uitgedrukt. Eigenlijk hoeft er niet zo zwaar getild te worden aan de beschreven gevoelens van de afdouwers. Door de verlofganger vele malen toe te klinken, raakte iedereen juist in feeststemming en was het afdouwceremonieel een vrolijke happening die meestal werd gevolgd door 'the day after the night before'. Overeind blijft echter, dat het lied goed onder woorden brengt waar elke zeeman na ettelijke maanden op zee naar hunkert: eindelijk weer eens thuisvaren. Of hij nu vaart tussen Curaçao en Venezuela, of dat hij op een boot zit met bestemmingen over de hele wereld.

Inhoudsopgave