10. Muiterij, gedroste crew en opiumsmokkel

Muiterij
Drossen
Opium
Evelything olleit
Pink in de bilge
Diszie one finger no môô

Terug naar boord. Op 21 juni 1951 werd ik overgeplaatst naar het s.s. 'Frasca'. Dit schip was net als de Conchita, een trunkdekschip met dezelfde tonnage en dezelfde machinekameruitvoering. De overstap naar de Frasca was dus geen grote verandering, maar het betekende wel dat ik op een drijvende bom was geplaatst. Door olie te vervoeren - vaak licht ontvlambare soorten - is een tanker sowieso al een kruitvat, en in die zin zou je kunnen zeggen dat de Frasca een complete kruitkámer was. Behalve ruwe olie, werd met dit schip in de, in de ladingtanks ingebouwde grote gasbottles, ook butaangas vervoerd. Eén vonkje bij een lekkende afsluiter of een lekke flens, en boem betekende gegarandeerd ho. En er lekte nogal eens wat. Volgens mijn memoriaal lijkt het wel of ik op de Frasca bijna niets anders deed dan lekkende afsluiters en lekke flenzen verpakken en ondeugdelijke leidingen testen en vernieuwen. Door de veiligheidsvoorschriften op te volgen, zorgde je er echter wel voor niet voortijdig bij de hemelpoort te hoeven aankloppen. Dit doet me er overigens wel aan denken dat, ging je letterlijk te werk zoals deze voorschriften op papier stonden, er destijds geen tanker gevaren zou hebben. Waarmee niet is gezegd dat het dús niet zo nauw werd genomen met veilig werken, maar de omstandigheden maakten het wel eens nodig om 'creatief' met de veiligheidsprotocollen om te gaan. Echter, altijd met in het achterhoofd dat een miskleun een reis naar het hiernamaals kon betekenen.

Al bladerend in mijn memoriaal, valt één bepaalde datum, 12 september 1951, op door de soort werkzaamheden die ik op die dag verrichtte. Ik noteerde op die datum: 'Daar er door onvoorziene omstandigheden te weinig olielieden aanwezig waren, dienst gedaan als olieman'. Een tekort aan olielieden? Ondenkbaar, dus moet er op die 12e september iets bijzonders aan de hand zijn geweest. En dat is ook zo. Maar voordat ik dat uit de doeken doe, moet ik eerst even vertellen wat eraan voorafging. Het past namelijk prachtig bij wat ik beleefde tijdens een van de merkwaardigste reizen uit mijn zeemansloopbaan.

Muiterij
Het begon allemaal toen de Frasca op Curaçao was afgemeerd om butaangas te lossen. De lading was er bijna uit en het was regel, dat tegen dat tijdstip iedereen zich weer aan boord diende te melden. In dit geval voor vertrek naar Palmarego. Nooit gaf het op tijd aan boord zijn problemen, maar behalve de olielieden en stokers, allen Chinezen, liet de dekcrew, een mengelmoes van Curaçaoënaren, Bonairianen, Arubanen en Jamaicanen, het deze keer afweten. En tegen de tijd dat de slangen al waren afgekoppeld, de loods aan boord was en de machines klaar stonden om te manoeuvreren, was er nog in geen velden of wegen iemand te zien. Na een poos gewacht te hebben en er nog geen enkel crewlid kwam opdagen, vond de ouwe het tijd om 'kantoor' van een en ander op de hoogte te stellen en om vervangend dekpersoneel te vragen. Erbij zeggend, dat wat hem betrof de telaatkomers de zak konden krijgen. Terwijl aan de wal actie werd genomen om tegemoet te komen aan het verzoek van de kapitein, werden ondertussen aan boord de nodige papieren ingevuld om de niet opgedaagden van de monsterrol af te voeren. Alle paperassen gingen in een grote envelop die door de derde stuurman in een brievenbus op de steiger werd gedeponeerd. Daarna was het wachten op de dingen die kwamen. Het meest voor de hand liggende was, dat zich een nieuwe crew zou melden, maar er gebeurde heel iets anders. Kort nadat de afmonsterpapieren in de brievenbus waren gedropt, stopte er een busje bij de steiger en in de veronderstelling dat men er aan de wal in was geslaagd om de nodige vervangende varensgezellen bijeen te brengen, gaf de op hete kolen zittende ouwe (er was inmiddels veel tijd verloren gegaan) alvast de routineorders voor vertrek. Maar tot ieders stomme verbazing aan boord kwam er geen nieuwe crew uit het busje, maar rolde bijna letterlijk de complete vaste crew eruit. Allemaal zo zat als een aap. Welhaast zeker door het stevig innemen van goedkope Jamaicarum tijdens hun bezoek aan Campo Alegre, het gelegaliseerde Curaçaose kwartier waar dames van lichte, doch niet onsympathieke zeden hun beroep uitoefenden. Op zich was het niet zo bijzonder als er na walbezoek iemand wat aangeschoten naar boord terugkeerde, maar nu waren ze allemaal flink boven hun Plimsolmerk. Eén man van het zootje ongeregeld spande daarbij de kroon. Hij was zo beschonken, dat hij door zijn maten overeind gehouden moest worden om niet ter plekke gestrekt te gaan om zijn roes uit te slapen.

Lallend kwam de hele club de gangway op, om linea recta op de kapitein af te stevenen. Vreemd, normaal zou zijn geweest dat ze naar het bemanningsverblijf waren gegaan, of hun plaats voor voor en achter maken hadden ingenomen. De bedoeling van hun gang naar de kapitein werd echter al gauw duidelijk. Eenmaal voor de ouwe staand, kreeg deze te horen: "De derde stuurman van boord, of anders vaart niemand van ons mee uit". Een niet mis te verstane mededeling die op muiterij wees!

Leunend op de reling van het achterdek sloeg ik met verbazing de rebellerende meute gade. Nou was het wel zo dat de derde stuurman een etterbak voor de crew was, maar dat ze elkaar zo hadden opgenaaid dat ze weigerden om nog langer met hem te varen, hield je toch niet voor mogelijk. Natuurlijk ging de kapitein niet in op de eis van de muiters en het gevolg was een hoop tumult. Onder veel geschreeuw begonnen de oproerkraaiers rake klappen uit te delen aan vooral de derde stuurman, die daardoor flinke averij opliep. Om niet compleet in elkaar te worden geslagen, verschanste hij zich in het stuurhuis. De opstandelingen kwamen hierdoor enigszins tot bedaren, wat overigens mede te danken was aan de eerste stuurman. Een bonk van een kerel, die met zijn fysieke uitstraling en gespierde taal de muiters redelijk onder controle wist te krijgen. Zijn tirades, doorspekt met stevige vloeken en dreigementen, hadden blijkbaar ook een ontnuchterend effect, want allengs kwamen de benevelde muiters tot het besef dat ze voor de keuze stonden of inbinden, of ter plekke de zak krijgen. Ze kozen voor het eerste, maar toen de ergste dronken drop in een ultieme poging probeerde om toch nog zijn gram te halen bij de weer te voorschijn gekomen derde stuurman en hem weer te lijf ging, begon het feest opnieuw. Ineens stond de rest van de crew weer aan de kant van de vechtjas. Waarschijnlijk omdat ze door de heropende knokpartij eraan werden herinnerd, dat ze het bloed van de derde stuurman wel konden drinken. Weg was dus de rust van even daarvoor.

Inmiddels had ik me ook in het strijdgewoel gemengd, en met bijna de complete état major lukte het ons om de muitende meute opnieuw in het gareel te krijgen, waarna verdere escalaties achterwege bleven en het eindelijk zover kwam dat de draad weer opgepakt kon worden om aan de reis naar Palmarego te beginnen. Tijdens de voorbereidingen voor vertrek ontstond echter toch nog even een spannend moment. Want ter afschrikking voor de crew om zich verder gedeisd te houden, gaf de ouwe de ergste oproerkraaier ter plekke de zak en beval hem het schip onmiddellijk te verlaten. Nog verre van nuchter, weigerde deze echter gehoor te geven aan dit bevel en zat het er dik in, dat hij andermaal herrie zou schoppen. Met mogelijk ook weer de nodige meeliggers als maten in het kwaad. Maar, waar verwacht kon worden dat er opnieuw een knokpartij zou beginnen, gebeurde er iets totaal anders. De weigering van de weerbarstige zatlap om het schip te verlaten, zorgde plotsklaps voor een tafereel dat totaal niet paste in de voorgaande gebeurtenissen. Op onverklaarbare wijze kwam blijkbaar ineens de van nature vrolijke inborst van de Antillianen boven en werd het brein als bij toverslag op lolmaken gezet. De weigeraar werd op de schouders gehesen, en in joecheistemming werd hij onder veel gelach en gejoel over de gangway gejonast, om hem vervolgens op de wal neer te laten ploffen. Een merkwaardiger climax van de gebeurtenissen van even daarvoor was niet denkbaar. Een krankzinnige vertoning eigenlijk. Maar eerlijk gezegd, het jolige gedrag van de (ex)-muiters werkte danig op de lachspieren.

Drossen
Je zou kunnen denken dat hiermee het muiterijverhaal eindigt, maar er stond ons nog meer te wachten. Want, toen de grootste lastpak op de wal was gedropt, toonden een paar van zijn maten zich toch nog solidair met hem en taaiden alsnog af. Na een muiterij, nu dus ook nog een deels gedroste crew. Geen reden echter om de afvaart uit te stellen, en dus werd er voor en achter gemaakt. Even daarna kwam de Frasca - uren later dan de bedoeling was - los van de kant. De crew was dan wel niet meer op volle sterkte, maar alla, er kon gevaren worden. Echter, eenmaal buitengaats op het punt waar de loods werd afgezet, bleek er nog een addertje onder het gras te zitten. Een nieuw probleem diende zich aan. Weliswaar van geheel andere aard dan de voorgaande moeilijkheden, maar wel dusdanig ingrijpend, dat de reis naar Palmarego niet kon worden voortgezet. Bij het afzetten van de loods bleek namelijk dat de benodigde papieren om zee te mogen kiezen, ontbraken. Tijdens de consternatie die was ontstaan door het niet komen opdagen van de crew, had de ouwe ze per abuis in de envelop gestopt waarin ook de afmonsterpapieren zaten van de crewleden die hij van plan was geweest de zak te geven! Noodgedwongen dus weer terug naar het Schottegat, waar de nodige tijd verstreek alvorens de onontbeerlijke papieren boven water kwamen en er voor de tweede keer uitgevaren kon worden. Tot ieders opluchting verliep dit zonder strubbelingen. Hoewel... Toen de Frasca ongeveer een meter van de kant was, sprongen er nog een paar matrozen van boord. Blijkbaar waren ze toch tot de slotsom gekomen niet met de derde stuurman te willen varen en drosten ze alsnog. Met een daardoor nog kleiner aantal varensgezellen, betekende dit bij voorbaat dat er bij aankomst in Palmarego stuurlui en wtk's behulpzaam moesten zijn met het uitbrengen van de trossen en het bedienen van de winches. Maar nood breekt wetten. Dan maar alle van de overgebleven hens aan dek.

Opium
Wie alle roerige gebeurtenissen van begin tot eind op afstand hadden gadegeslagen, waren de Chinezen. Stoïcijns hadden ze toegekeken, zich nergens mee bemoeiend. Allemaal in koeliezit, hadden ze op het achterdek stilletjes en onbewogen het ogenblik zitten afwachten waarop de Frasca zee koos en ze hun werk in de machinekamer konden oppakken. Maar wat niemand op dat moment kon bevroeden was, dat ook zij over een paar dagen voor heel wat problemen zouden zorgen.

Na voor de tweede keer zee te hebben gekozen kon nu, na het afzetten van de loods, opgelucht worden ademgehaald. De druk was van de ketel en er lagen een paar dagen van rustig varen voor de boeg. Zowel letterlijk als figuurlijk. Het weer was goed en de overgebleven crew gedroeg zich timide. De onderbezetting door gedrost dekpersoneel deed er even niet toe. Per slot waren de reizen maar kort, en bij terugkomst op Curaçao zouden deze personeelsproblemen wel worden opgelost. Een paar dagen niet roestbikken, tjetten en andere dekwerkzaamheden niet uitvoeren, was geen ramp. Of de stuurlui door te weinig personeel mogelijk zonder roerganger hebben moeten navigeren, heb ik niet meer in beeld, maar is dat wel zo geweest, dan hebben ze een probleem gehad wat de machinekamer op dat moment in ieder geval niet kende. Immers, de Chinezen hadden zich afzijdig gehouden van de voorgaande gebeurtenissen en bijgevolg kon in de machinekamer met een complete bezetting worden gewerkt.

In de namiddag van 11 september werd Palmarego bereikt. Na het bedanken van de machinekamer (op de brug drie maal de scheepstelegraaf overhalen op 'stop', ten teken dat er niet meer gemanoeuvreerd hoefde te worden), volgde het vaste ritueel om lading in te nemen. Tegelijkertijd vond ook een ander ritueel plaats, namelijk het bezoek van enkele douanebeambten die, buiten het afhandelen van een aantal administratieve formaliteiten, vooral aan boord kwamen met bedoelingen waar ik eerder al over vertelde. Het was dus te verwachten dat het deze keer niet anders zou gaan, maar dat bleek een vergissing. Het leek wel of men deze keer een blik vol van die kerels had opengetrokken. En ze waren niet alleen. Een stuk of vier gewapende politiemensen van de Garde Naçional vergezelden hen. Net bekomen van de roerige gebeurtenissen op Curaçao, is het voorstelbaar dat deze ongewone belangstelling van douane- en politiezijde met argusogen werd gadegeslagen en de allesoverheersende gedachte was, shit, wat hangt ons nou weer boven het hoofd. Aan de douanebeambten was duidelijk te merken dat ze naar iets op zoek waren. Ze haalden zowat het hele schip overhoop. Niet alleen alle officiershutten, overal waar iets verborgen kon worden, werd doorzocht. Dus ook het verblijf van de Chinezen. En daar was het bingo. Opium! Terwijl de douaniers bezig waren met het opsporen van deze smokkelwaar, gedroeg de Garde Naçional zich tegenover iedereen alsof ze te maken hadden met boeven van de ergste soort. Met veel machtsvertoon paradeerden ze over het dek, niemand mocht het schip verlaten en ze bekten iedereen af die een beetje te dicht in hun buurt kwam. Toen ze hoorden dat er bij de Chinezen opium was gevonden, dreven ze met veel verbaal geweld en wapengekletter alle Chinezen bijeen, om ze even later geboeid af te voeren. Nog zie ik die sloebers op hun slippertjes de steiger afsjokken, de meesten met alleen maar een korte broek aan. Ogenschijnlijk berustend in wat hen overkwam en, hun volksaard eigen, op geen enkele manier blijk gevend wat er in hen omging.

Door het afvoeren van de Chinezen zat de machinekamer nu dus ook zonder personeel. Gehoopt werd dat ze nog voor het vertrek uit Palmarego vrijgelaten zouden worden, maar die hoop was ijdel. Alle mogelijke middelen werden aangewend om ze naar boord terug te laten keren, maar de Venezulaanse autoriteiten lieten zich niet vermurwen. De opiumsmokkelaars waren in hun handen, en daarmee basta.

Intussen was het laden gewoon doorgegaan en ongeveer acht uur na aankomst in Palmarego diende het moment van vertrek zich aan. Ik weet niet welke voorschriften er golden omtrent de minimum scheepsbezetting waarmee een schip als de Frasca mocht zeekiezen, maar wel weet ik dat de ouwe met een halve man en een paardekop de terugreis naar Curaçao aandurfde. Die halve man en een paardekop waren: de kapitein, de eerste- tweede en derde stuurman, de hoofdwtk, tweede- derde- en vierde wtk, ik als vijfde en de paar varensgezellen die niet gedrost waren.

Evelything olleit
Bij het vertrek uit Curaçao waren de dekofficieren onthand door gebrek aan personeel, maar na het ontmeren in Palmarego, zat de machinekamer nu dus ook met de gebakken peren. Alle olielieden en stokers zaten in het gevang. Om toch de machines draaiende te houden en de ketels op druk, zat er voor de wtk's niets anders op dan zelf de oliekan ter hand te nemen en de ketelvuren brandend te houden. En met deze constatering ben ik terug op het punt waarmee ik mijn verhaal over muiterij, gedroste crew en opiumsmokkel begon. Namelijk, mijn memoriaal nogmaals citerend, 12 september 1951: 'Daar er door onvoorziene omstandigheden te weinig olielieden aanwezig waren, dienst gedaan als olieman'. Grappig, dat er achter zo'n korte werkomschrijving zo'n merkwaardige verhaal schuilgaat. En nog is het verhaal niet compleet. Want, weer terug op Curaçao en afgemeerd in het Schottegat, wie stonden daar de Frasca op te wachten? Alsof ze alleen maar even de wal op waren geweest, stonden de voor opiumsmokkel opgepakte Chinezen op de steiger. Met alleen maar 'evelything olleit', stapten ze aan boord. Over hoe ze het geflikt hadden om zo gauw weer op Curaçao terug te zijn, zeiden ze geen woord. Net zomin lieten ze zich uit over hun vrijlating. Steekpenningen? Wie zal het zeggen. Eerder sprak ik al van de welig tierende corruptie in Venezuela.

Pink in de bilge
Op 25 september 1951 werd ik overgeplaatst naar het s.s. Felipa, mijn derde schip bij de CSM. Qua tonnage en machinekameruitvoering hetzelfde type als de Conchita en de Frasca. Al eerder heb ik verteld, dat de Felipa mijn eerste schip werd na mijn promotie tot 4e wtk en dat ik vanaf dat moment zelfstandig wachtliep.

Diszie one finger no môô
De reizen met de Felipa verliepen zonder vermeldenswaardige voorvallen, maar één keer gebeurde er iets dat ik niet gauw vergeet. Het betrof een akkevietje met mijn Chinese olieman. Naast zijn werk als olieman, had hij ook als taak om vier keer per wacht op de volle uren alle draaiende machinedelen na te lopen op mogelijke mankementen. Ik had nog nooit meegemaakt dat hij naar mij toe kwam om melding te maken van een technisch euvel, en ik was dan ook zeer verbaasd toen hij op een keer ineens voor me stond. Niet om te vertellen dat er iets met de machines niet in orde was, maar om zijn linkerhand te tonen. Ik wist niet wat ik zag. Op de plaats waar zijn pink hoorde te zitten, zat alleen nog maar een hevig bloedend stompje. Terwijl hij met zijn andere hand naar dit stompje wees, hoorde ik hem verwonderd zeggen: "Foulth engeneel, look see, diszie one finger no môô .. ". Het bleek dat bij het navoelen van een aslager zijn pink knijp was komen te zitten tussen de draaiende as en de scherpe kant van een beschermkap over het lager. Nog zie ik die Chinees voor me staan. Niets aan hem verried dat hij pijn had. Ook toonde hij geen enkele emotie en was niet aan hem te zien of het wel tot hem doordrong dat die pink er echt af was. Alleen maar: "Foulth engeneel, look see, diszie one finger no môô.." Zijn bloedende hand hoog boven zijn hoofd houdend - het leek wel een afscheidsgroet aan de achterblijvend stoker - heb ik de ongelukkige naar de 'papieren dokter' gebracht. De afgesneden pink was in de bilge gevallen en zal waarschijnlijk ooit wel eens tijdens het lenzen overboord zijn gepompt.

Op de Felipa maakte ik mijn eerste vaarjaar vol. Van dat jaar had ik er inmiddels zeven maanden bij de CSM opzitten en, ondanks twee promoties met navenant aantrekkelijke gages, vond ik die zeven maanden lang genoeg om weer terug te willen naar de diepzeevloot. De belofte indachtig dat men mij terug zou plaatsen op een oceangoingtanker wanneer ik dat wilde, toog ik eind oktober naar de afdeling personeelszaken van de CSM om mijn wens kenbaar te maken. De tijd die volgde, speurde ik na binnenkomst op Curaçao alle aanlegsteigers af om te kijken of er een grote tanker met een gele schoorsteen met rode schelp lag afgemeerd. Vaak was dat het geval, en als dan bleek dat het een tanker van de Nederlandse Shellvloot was, vroeg ik meteen of er plaats voor mij op dat schip was. Helaas werd ik elke keer teleurgesteld, maar vlak voor de kerstdagen van 1951 - om precies te zijn op 23 december - keerde het tij. Op deze datum liep de Felipa binnen op Curaçao waar een dag eerder de Nederlandse 12.000-tons motortanker 'Marisa' was aangekomen. Ik stond te popelen om weer de bekende vraag te stellen, maar deze keer hoefde dat niet meer. Tussen de poststukken die aan boord kwamen, zat namelijk een brief van de CSM met de mededeling, dat men mij 'in verband met mijn overplaatsing naar de N.V. Petroleum Maatschappij 'La Corona', eervol ontslag verleende'. Bijgesloten was een getuigschrift en de beste wensen voor de toekomst. Dat deze toekomst op het m.s. Marisa begon, zal uit het voorgaande duidelijk zijn. Ik was dus weer terug bij vloottak van de Shell waar ik op 9 oktober van het voorgaande jaar mijn zeemansloopbaan begon en intussen waren er bijna vijftien maanden verstreken waarin ik geen enkele keer thuis was geweest.

Op de Felipa had ik niet alleen mijn eerste vaarjaar vol gemaakt, ook had ik op dit schip de laatste hand gelegd aan mijn memoriaal. Met een zucht van verlichting noteerde ik op 3 november 1951 als laatste zin in dit vermaledijde dagboek kort en bondig: 'Zaterdagse werkzaamheden verricht en de stookoliefilters verwisseld'. Punt! Blijkbaar was de Shell voldoende overtuigd van mijn serieuze aanpak om een goed stuk werk af te leveren, want nog ver voor het memoriaal door de Rijkscommissie voor de Scheepswerktuigkundigenexamens werd goedgekeurd, kreeg ik bericht dat mijn leerlingentijd erop zat en dat men mij met ingang van 8 november 1951 had benoemd tot aangesteld 5e scheepswerktuigkundige. In deze rang stapte ik op 24 december 1951 aan boord van het m.s. Marisa, om met dit schip, na goed negen maanden varen bij de CSM, Curaçao achter me te laten. Na de oversteek van Atlantische Oceaan en via Poulliac aan de Franse westkust, kwam de Marisa op 26 januari 1952 aan in Rotterdam. Op de steiger stond mijn aflosser. Na zestien maanden van huis te zijn geweest mocht ik met verlof. Mijn eerste contract zat erop!