Terugkomend op de reis van Pulu Samboe naar Pladju schiet me te binnen, dat ik voor de eerste keer de evenaar zou passeren. Volgens een eeuwenoude zeemanstraditie maakt Neptunis hier zijn opwachting om iemand bij deze gelegenheid aan een doopceremonieel te onderwerpen. Normaal zou ik hieraan ook hebben moeten blootstaan, maar om de een of andere reden is me dat gelukkig bespaard gebleven. Alhoewel gelukkig, ergens is het wel zo, dat een zeeman eigenlijk incompleet is als hij bij de overstap van het noordelijk halfrond naar het zuidelijk halfrond niet door Neptunis gedoopt is. Want dat wil de traditie: bij de passage van de evenaar door de god van de zee gedoopt worden om als zeevarende voor vol te worden aangezien. Zelf dus deze 'beproeving' niet te hebben hoeven doorstaan, heb ik daarentegen wel een paar doopfeesten meegemaakt. Reden om even te vertellen wat zich dan afspeelt.
Dagen voor het passeren van de evenaar werden de 'dopelingen' (waaronder soms ook meevarende echtgenotes) de bibbers bezorgd met smeuïge verhalen over een onsmakelijk inzeep- en scheerritueel plus andere kwellingen. Intussen werd achter de schermen twee vrijwilligers aangewezen om als Neptunis en zijn vrouw op te treden. Op de dag dat de evenaar werd gepasseerd, toog dit 'echtpaar' met enkele ingewijden in alle vroegte aan het werk om op het tankdek achter de midscheeps de nodige voorbereidingen voor het doopfeest te treffen. Onder meer werd er een scheersopje van zaagsel, meel, havermout en andere vreemdsoortige ingrediënten gemaakt. Goed gemengd met zeewater, vormde dit een lekkere vieze kleffe troep. Ook werd er een troon en een tafel voor Neptunis klaargezet. Op de tafel een fles jenever, een fles zeewater, zoutpillen en meer vies smakende 'lekkernijen'. Behalve deze attributen, werden ook nog een aantal hindernissen opgesteld. Bijvoorbeeld een opgehangen ladingnet waar overheen geklauterd moest worden en een koelzeil (een soort fuik van zeildoek) om doorheen te kruipen. Een doopfeest zonder weiwater is ondenkbaar, vandaar dat ook nog de brandslangen strategisch werden klaargelegd om de dopelingen tijdens het nemen van de hindernissen met fikse stralen zeewater te bestoken.

Omstreeks het tijdstip dat de evenaar werd gepasseerd, stond de kapitein klaar om Neptunis en zijn vrouw officieel te ontvangen. Neptunis gekleed in een lang gewaad, kroon op zijn hoofd en drietand in zijn hand. Zijn vrouw in korte broek, 'haar' blote bovenlijf getooid met een, zo mogelijk van een meevarende echtgenote geleende, opgevulde tietenvanger. Pruiken van uitgerafeld touw sierden de hoofden van beide echtelieden. Na de welkomstspeech van de kapitein riep Neptunis de dopelingen één voor één bij zich voor een stichtelijk woord, waarna het inzeep- scheerritueel nog wel was te pruimen, maar het verplicht innemen van een borrel - uiteraard uit de fles met zeewater - en het slikken van de op tafel liggende 'lekkernijen', was andere koek. Alleen al het zien van deze delicatessen gaf braakneigingen. Terwijl de dopelingen Neptunis gedwee aanhoorden, ze zonder tegensputteren de 'borrel' naar binnen sloegen en de 'lekkere' hapjes met een vies gezicht wegkauwden, stonden handlangers van de god van de zee al met de brandslangen in de aanslag om de novieten na het bevel van Neptunis om de hindernissen te nemen, de volle laag te geven. Aanhoudend werden ze nat gespoten. Elke doopplechtigheid ontaardde zodoende in een gigantisch waterfestijn, dat zijn climax kreeg met het op de korrel nemen van Neptunis himself. Ook zijn 'vrouw' werd daarbij niet gespaard. Beiden werden bij wijze van spreken van dek gespoten door de op wraak beluste gedoopten, nota bene daarbij geholpen door de plotseling ontrouw geworden medeplichtigen van de zeegod.
Het sluitstuk van het doopspektakel was altijd een gezellige boel. Droge kleren aan, en allemaal naar de rooksalon voor de plechtige uitreiking van de doopcertificaten en om stevig na te praten. De jeneverfles stand-by. Bij deze gelegenheid uiteraard niet de met zeewater gevulde fles.
Spullen kopen, pilsje pakken en een stropdas
Na Pladju luidden de orders opnieuw Pulu Bukom, van waaruit op 24 juli werd begonnen aan de lange reis naar Hobart op Tasmanië. Tijdens het eerste deel van deze reis was het nog duidelijk merkbaar dat er in de tropen werd gevaren. Temperaturen van rond de vijfendertig graden waren normaal (in de machinekamer kwamen daar nog een flink aantal graden bovenop), maar eenmaal de Steenbokskeerkring gepasseerd en steeds zuidelijker varend, werd het voelbaar dat het op het zuidelijk halfrond winterseizoen was. De blauwe uniformen werden uit de mottenballen gehaald en de hutverwarming kon er best bij.
Zestien dagen na het vertrek uit Pulu Bukom werd Hobart bereikt en na langer dan twee weken op zee, was het verlangen groot om weer eens de wal op te gaan. Alleen, alle drie de dagen dat we in Hobart binnenlagen, was het rot weer. Koud en miezerig. Niemand was er zelfs voor te porren om 'spullen te kopen en een pilsje te pakken', de standaardvoornemens bij het binnenlopen van bijna elke haven.
Nadat in Hobart een deel van de lading was uitgepompt, werd meteen voor en achter gemaakt voor een paar dagen zeekiezen naar Melbourne. Het weer in Melbourne was aanmerkelijk beter dan in Hobart en iedereen maakte dan ook dankbaar gebruik van de mogelijkheid om even weer vaste wal onder de voeten te voelen. Wie echter geen stap van boord zette, was ma Kip. De Australische autoriteiten stonden niet toe dat dieren het schip verlieten, en voor geen goud liet de kapiteinsvrouw haar Bleckie alleen. In de komende maanden zou de Cistula opnieuw een aantal Australische havens aanlopen waar ma Kip om genoemde reden de niet wal op ging, maar ik meen me te herinneren dat het in Melbourne was, dat ze een cadeautje had willen kopen voor de baas die jarig was als we weer op zee zaten. Zelf dus niet van boord gaand, vroeg ze ons - de vierde wtk, de sparks en mij - of wij een aardigheidje voor de hoofdwtk wilden kopen. Ze gaf geld mee, en: "mochten jullie nog wat overhouden, koop daar dan maar een pilsje voor". Nou maakte ik al eerder gewag van 'spullen kopen en pilsje pakken' bij het de wal op gaan, maar ik vertelde er niet bij dat de volgorde van deze voornemens meestal werd omgedraaid. Bijgevolg bleef er daardoor meestal niet veel over om nog spullen te kopen. Helaas ging het ook zo met ma Kip haar cadeautje voor de baas. Van het meegekregen geld werd eerst een 'paar' pilsjes gepakt en van de rest kon daarna nog net een goedkope, lelijke stropdas worden gekocht. Onderweg terug naar boord veel lol natuurlijk, maar naarmate we dichter bij de aanlegsteiger kwamen, werden we stiller. We zouden hoe dan ook bij ma Kip met de billen bloot moeten en we begonnen ons toch wel een beetje te knijpen. Eenmaal weer aan boord, zochten we de kapiteinsvrouw maar zo gauw mogelijk op en biechtten schuldbewust op hoe we haar geld hadden besteed. En dat het ons heel erg speet dat ze nu zo'n lullig cadeau voor de baas hadden. De kapiteinsvrouw liet duidelijk blijken niet blij te zijn met ons verhaal, maar gelukkig liet ze ons niet kielhalen. En toen we weer onder elkaar waren zei de vierde: "Zag je dat, het leek wel of ze amper haar lachen kon houden". Of dat nou wel of niet zo was, behalve dat ma Kip nou eenmaal een ontzettend aardig mens was, was ze als zeemansvrouw flink door de wol geverfd in de omgang met zeelui. En dus kan dus best zo zijn geweest dat ze onze spijtbetuigingen met een binnenpretje heeft aangehoord.
Een dag of wat later en weer op zee, kreeg de jarige baas zijn stropdas. Hij was er erg mee in zijn nopjes. Althans, zo leek het. Maar het valt te betwijfelen of Zure Arie dat oerlelijke ding ooit heeft gedragen.
