13. Negenendertig dagen op zee en rijstpikken

Kramat
Dokken in Singapore!
Broodmager, maar verticaal en op eigen kracht!
Haaien vangen
Rotmuskiet
Ontsnapt aan de zeis van Magere Hein
Een lagere rang en tóch mazzel?

Na Melbourne lagen er maar liefst negenendertig(!) dagen op zee voor de boeg. Vijfentwintig dagen in ballast naar Rastanura aan de Perzische Golf, en vandaar, geladen met 12.000 ton olie, veertien dagen naar Pulu Bukom. In Rastanura zou blijken dat de lading binnen een dag erin zat, even vertreden aan de wal was er niet bij, en dus kan deze dag gevoeglijk tot een zeedag worden gerekend Het enige verschil is, dat de hoofdmotor een twintigtal uren even niets te doen had.

Op drie dagen na, dus zes weken aan een stuk op zee. Bijna zes weken lang, vierentwintig uur per dag alleen maar water, lucht om ons heen en de weergoden als metgezel. De laatsten hielden zich na het vertrek uit Melbourne op de Indische Oceaan redelijk gedeisd, en eenmaal Kaap Leeuwin gerond, lieten ze zich op deze grote lap water ook van hun goede kant zien. Onder deze gunstige weersomstandigheden stuwden dag na dag vijfenveertighonderd paardekrachten de Cistula onverdroten elk etmaal zo'n driehonderd zeemijlen richting Perzische Golf.

In de machinekamer ging alles zijn gangetje. Aan het einde van bijna elke wacht kon op de wachtstaat 'bij ronde alles wel' worden genoteerd. De number one was met zijn Chinese handlangers aan het soppen en schilderen gezet om de top van de machinekamer een nieuw aanzien te geven. Een karwei waar ze wekenlang zoet mee waren en waar ze, ondanks de bloedhitte waaronder gewerkt moest worden toen we eenmaal weer in tropische wateren voeren, elke dag stoïcijns mee verder gingen.

De routine van alle dag zorgde voor een gezapig aaneenrijgen van de dagen en weken die voorbij gingen. De vrije uurtjes werden gevuld met wat luieren aan dek, elkaar opzoeken voor een praatje, een kaartje leggen of een spelletje mahjong spelen. Of gewoon wat zitten lezen in je hut, de hutventilator op volle toeren voor wat verkoeling. Tussendoor soms ook een stukje verder schrijven aan een onderhanden brief voor thuis.

In de tropen, 's avonds voordat het pakkie-an-droevig, het ketelpak (ook wel soepjurk genoemd) weer aan moest voor een torn van vier uur wachtlopen, ging ik vaak een poosje aan dek. Hieraan denkend, komen nostalgische beelden boven van de altijd wondermooie zonsondergangen in de tropen en aan de bijna direct daarna invallende duisternis. De hitte van de dag maakte dan plaats voor de mildere warmte van de tropenavond. Als ik dan op mandieslippers, gekleed in korte broek en losgeknoopt overhemd aan de reling stond, met boven me een heldere sterrenhemel en om me heen een volkomen vlakke zee, dan voelde ik me senang. Terwijl het schip zich welhaast geruisloos een weg baande door het rimpelloze water, dacht ik op die momenten hoe machtig mooi het zeemansleven was. Dat het varen ook minder aangename kanten kende, verdween dan naar de achtergrond.

Op een van de avonden aanschouwde ik een machtig mooi natuurverschijnsel. Varend in de Arabische Zee, waar korte golfjes de zeespiegel licht in beroering brachten, was de zee één grote oplichtende vlakte. Zover het oog reikte, leek het of miljarden vuurvliegjes op het zeeoppervlak waren neergestreken. Nooit eerder had ik de zee zo zien oplichten. En welke zee ik ook nog zou gaan bevaren, nooit zou ik meer getuige zijn van zo een schitterende schouwspel.

Na aankomst in Rastanura werd de Cistula in recordtempo volgejast. Het ging zo vlug, dat de stuurlui bijkans in de stress raakten door de angst voor overflows. Maar zonder dat er ook maar een druppel olie over de muur verdween, slaagden ze erin alle tanken op tijd af te toppen. De slangen werden in no time afgekoppeld en niet veel later was het ratelen van de winches alweer te horen om de trossen binnen te halen. Met een paar klappen van de schroef kwam de Cistula vlot van de kant en kort daarna ging de telegraaf voor de komende veertien dagen weer op volle kracht vooruit. De steven gericht op Pulu Bukom. De kalender gaf 12 september aan.

Net als de voorgaande vijfentwintig dagen van Melbourne naar Rastanura, verliepen de veertien dagen naar Pulu Bukom ook weinig enerverend. In de dagenlange cyclus van wachtlopen, torn toe maken, eten drinken en slapen, was het volgen van een school opgejaagde vliegende vissen al een welkome afleiding. Voor de Chinese crew betekende dit verzetje zelfs een mazzeltje. Volgeladen lag het schip diep in het water, waardoor een paar vissen zich soms in de landingsplaats vergisten en op het tankdek terecht kwamen. De Chinezen als de kippen erbij om ze op te rapen als welkome aanvulling bij hun dagelijkse rijstprak. Terwijl ik deze beelden weer voor me haal, gaan mijn gedachten onwillekeurig terug naar onze eigen rijstmaaltijden aan boord. Om je vingers bij af te likken! Vooral de rijsttafel met alles erop en eraan, was een culinair feest. Dit snoepje van de week, waar iedereen likkebaardend naar uitkeek, stond traditioneel op zondag op alle Shellschepen op het menu. Vooral als de ouwe een liefhebber van Indisch eten was, kon de kok zich uitleven. Hij hoefde maar te kikken en hij kreeg alles wat hij nodig dacht te hebben om er een feestmaal van te maken. Voorafgaand aan dit gastronomisch genoegen, was het meestal vaste prik om voor het smikkelen en smullen gezamenlijk (de wtk en stuurman die de wacht hadden uitgezonderd) in de hut van een collega of in de rooksalon een borreltje te drinken. Bar gezellig. Vaak werden het er meer dan een en werd de tijd wel eens vergeten, maar als er dan een messroomboy kwam met de boodschap "dinnel is leady", ging het met zijn allen richting eetsalon. Heerlijk rijstpikken. Pilsje erbij als wekelijkse oorlam van de company. Het water loopt me nog om de tanden.

Kramat
Op 26 september werd Pulu Bukom bereikt. De lading ging er hier uit en de volgende bestemming werd Pladju, waar de vierde wtk en ik geheel onverwacht promotie maakten. Vanwege het min of meer willens en wetens in de prak laten draaien van een hulpmotor, kreeg de derde wtk zonder pardon de zak. Zijn plaats werd ingenomen door de vierde wtk, waardoor ik als oudste vijfde het geluk had ook een rang op te schuiven. Weliswaar werd ik wáárnemend vierde, maar het was toch een luchtsprongetje waard. Geen rondjes meer lopen, het scheelde een flinke duit in de gage en, zoals dat aan boord ging, ik kreeg meer status. Van vijfde vierde worden, was meestal de overstap om van 'jij' 'u' te worden.

Mijn eerste reis in mijn nieuwe rang ging, na Pladju en via Pulu Bukom, naar Fremantle in Australië. In de negen maanden dat ik inmiddels op de Cistula voer, had de machinekamer weinig geheimen meer voor me. Mijn taak als verantwoordelijk wtk van de 8 tot 12 wacht, ging me dan ook gemakkelijk af. Bovendien had ik in mijn CSM-tijd ook al als vierde gevaren, helemaal vreemd was deze rang me dus niet. Alleen, er zat wel verschil tussen een 4.000-tons tankers met een eenvoudige machinekameruitvoering en een oceangoing tanker van 12.000 ton met als voortstuwing een zware dieselmotor.

Het leek wel of de Cistula een abonnement op Australië had, want na een retourreis naar de Oost, waar in een tijdsbestek van een tiental dagen Pladju en tweemaal Pulu Bukom en Pulu Samboe aangelopen werd, luidden de orders opnieuw Fremantle. Terwijl ik probeer wat beelden op te roepen over het verloop van deze reis, schiet me te binnen dat ik in de genoemde tien dagen een nieuwe naam kreeg: Kramat. Bedacht door Peter Ester. Waarschijnlijk had hij wat Maleis opgepikt, en kramat betekent meen ik kerkhof in het Maleis. Mijn nieuwe naam burgerde dusdanig in op de vloot, dat velen me niet anders kenden. Als het toeval wilde dat Shellschepen, waar dan ook, bij elkaar in de buurt voeren, dan was het de gewoonte om over en weer te laten weten wie er aan boord zaten. Het gebeurde dan wel dat er werd gevraagd wie is Kerkhof. Seinde de sparks terug dat is Kramat, dan was ik meteen bekend als degeen waar men op zijn minst over had gehoord. Vooral nadat ik in de loop van de jaren op meerdere schepen mijn visitekaartje achterliet, bleek ik op de een of andere manier stof tot praten te geven. Of dat iets te maken had met Malle Daan, zoals ik ook wel werd genoemd?

Op 12 november lagen we weer bij Fremantle voorgaats. Het was een reis geweest zoals vele andere. Goed weer, soms iets minder met wat overkomende zeetjes, maar voor de rest hadden de weergoden het goed met ons voor gehad. Weinig troubles in de machinekamer, waar de normale werkzaamheden werden uitgevoerd om de tent ongestoord draaiende te houden.

Komend in de buurt van Australië, was het weer de moeite waard geweest om bij tijd en wijle even aan dek te gaan om albatrossen te volgen. Altijd, als er een reis naar dit continent werd gemaakt en er nog in geen dagen land in zicht was, waren er ineens een paar. Zonder ook maar één keer hun machtige vleugels te bewegen, begeleidden ze het schip en scheerden ze, alsmaar zwevend, over de golftoppen van het ene golfdal naar het andere. Vooral bij hoge zeegang, een fantastisch gezicht. Dagenlang vlogen ze mee, nooit streken ze waarneembaar neer op het water. Totdat ze weer even raadselachtig verdwenen als ze waren gekomen.

Behalve dat we in Fremantle het feestje vierden van de geboorte van de zoon van de eerste stuurman (eerder vertelde ik hier al over), vergastte de agent van de Shell ons op een trip door een stukje Australische bush-bush. Kangeroetje kijken in het achterland van Fremantle. Een aparte ervaring.

Op Fremantle volgde het nog iets zuidelijker gelegen Albany, en vandaar, een kleine twee dagen varen langs de kust in noordelijke richting, naar Geraldton. Na hier een dag binnen te hebben gelegen, luidden de vaarorders Singapore.

Dokken in Singapore!
Tegen de tijd dat we in Singapore zouden aankomen, was het ongeveer een jaar geleden dat de Cistula zijn jaarlijkse dokbeurt had gehad. Reden om al weken van tevoren druk te speculeren of het komende grote onderhoud aan schip en machines misschien wel in Singapore zou plaatsvinden. Als wens van de vader van de gedachte om een dokbeurt in Rotterdam of Amsterdam te ondergaan, hoefde in de verste verte niet gedacht te worden. Daarvoor was de Cistula in de afgelopen maanden te ver uit de Europese wateren gehouden, en het zag er niet naar uit dat daar op korte termijn verandering in zou komen. In de speculaties waar gedokt zou worden, was Hong Kong ook meermalen genoemd, maar, ik herhaal de bekende kreet op de Shellvloot maar weer eens: 'de mens wikt, de Shell beschikt.'

Het werd Singapore. Op 29 november 1952 ging op de rede van deze wereldstad de spijker erin, om een paar uur later weer ankerop te gaan om op te stomen naar het King's Dock, waar de eerstkomende veertien dagen de telegraaf op 'stop' bleef staan. Veertien dagen waarin hard werd gesappeld aan het schip, de hoofdmotor, alle hulpwerktuigen, de ketels en aan leidingen en afsluiters. Maar, en dat vergoedde alle zweetdruppels die al dit geploeter kostte, ook twee weken waarin geen wachten gelopen hoefden te worden en boerennachten gemaakt konden worden. En 's avonds en in de weekenden Singapore verkennen. Voor dit laatste had ik - overigens niet als enige - geprobeerd mijn 'vrij bedrag' wat op te krikken. Wel nodig, want het zat er dik in dat we goede sier zouden maken.

Denkend aan de doktijd in de Leeuwenstad, komen mooie momenten (en ook wilde!) weer tot leven. Zoals de bezoeken aan de Botanical Garden en de Tiger Balm Garden. Ronddwalen in de Botanical Garden betekende volop genieten van alles wat er in de tropen groeit en bloeit. Een schitterend aangelegde tuin, waar apen zich speels van boom tot boom slingerden en waar onvoorstelbaar mooi gekleurde vogels vrij rondfladderden. Een stukje paradijs op aarde. Een bezoek aan de Tiger Balm Garden was een belevenis apart. Aangelegd in opdracht van de tijgerbalsumkoning, de Chinees Ah Boon Aw, voerde een wandeling door deze tropische tuin langs allerlei beeltenissen van de meest gruwelijke en bloedige taferelen. Scènes waarin hoofden worden afgehakt, lichamen in de lengte worden doorgezaagd en meer van dit soort gruwelijkheden. Ze waren over de hele tuin verspreid. Helaas ben ik de betekenis van al deze barbaarsheden vergeten. Vaag staat me bij dat het strafmethoden waren die met de zeven oordelen hadden te maken.


Heel wat anders, maar vaste prik, was een slentergang door Change Alley, het 'Straatje van alles'. Een marktstraatje, waar, de naam zegt het al, werkelijk van alles te koop was. Wandelend onder een boog van opgehangen koopwaar, met links en rechts dicht tegen elkaar geplaatste kramen waar omheen ook nog allerlei spullen waren uitgestald, kon je amper een stap verzetten. Een alledaagse marktaanblik, zou je zeggen. Alleen, vraag niet waarom nou juist het 'Straatje van alles' die aparte, niet te omschrijven uitstraling had. Misschien wel omdat er altijd zeelui te vinden waren en altijd het toeval zich wel aandiende dat ouwe sobats er elkaar ontmoetten.

Natuurlijk was er in Singapore heel wat meer te zien dan de Botanical Garden, de Tiger Palm Garden en het 'Straatje van alles'. Ik zal echter geen moeite doen een beschrijving te geven van alle indrukken die ik in deze prachtige stad opdeed. Zou ik het wel doen, ik zou verzanden in allerlei superlatieven, zonder echter de juiste sfeer op te roepen die bij Singapore hoort. Vond het sightseeën voornamelijk overdag plaats, en dan alleen tijdens de paar zaterdagen en zondagen dat we in dok lagen, 's avonds gingen we flink uit ons dak. Behalve de Cistula lagen er nog twee Shellschepen in het King's Dock, en met de collega's van deze schepen - onder wie Dolle Dries, zo gek als een deur - was het bijna elke avond groot feest. Na een dag van hard sappelen meteen douchen, gauw nog even aanschuiven bij de eerste tafel en daarna, keurig in het wit, richting dokpoort. Taxi's charteren, en: "We zien elkaar in Airview". Waar ieders gang in eerste aanleg ook heenvoerde, later op de avond was Airview namelijk de plek waar iedereen zich verzamelde om te drinken (grote driekwartliter flessen Carlsberg bier), plezier te maken en te dansen bij de klanken van een prima orkest.

Goed bier en swingende muziek in een puike ambiance, perfecte condities voor een plezante avond. Maar wat Airview vooral populair maakte, waren de taxigirls. Sexy Chinese meisjes die je, na het afgeven van een dansticket, ten dans kon vragen. Maandenlang op zee, zonder ook maar een enkele keer contact met vrouwelijk schoon, gaf bij het dansen alleen al het aanraken van de taxigirls een kick die de hormonen danig op tilt joeg.

Op zaterdagavond bood Airview iets extra's, en wel een floorshow. Tegen elf uur, als de stemming er goed inzat, werd de dansvloer vrijgemaakt om ruimte te maken voor een artiest. Zo vertoonde op een van die zaterdagavonden een vuurvreter zijn kunsten. Meterslange vuurkolommen spoog hij de zaal in. Een met veel show gebracht spektakel, waar vooral Dolle Dries zozeer door werd begeesterd, dat hij na afloop het orkestpodium beklom en aankondigde ook een vuurvreteract te zullen opvoeren. De band speelde het spelletje mee, en onder tromgeroffel daalde Dolle Dries weer af naar de dansvloer, waar hij met veel bombarie een doosje lucifers uit zijn broekzak haalde. Wat volgde is voorspelbaar. Onze nepvuurvreter ontstak een lucifer en als een volleerd entertainer doofde hij het vlammetje in zijn mond. Geen bijster spectaculaire vertoning, maar hij werd door het publiek (een fiks aantal zeelui van allerlei nationaliteiten, allemaal meer onder de indruk van vuurwáter dan van de vuurvréter), jutten hem dusdanig op, dat Dolle Dries steeds driester werd. Wel drie, vier brandende lucifers tegelijk bracht hij naar zijn mond. Aanvankelijk zonder schadelijke gevolgen. Maar toen hij, overmoedig geworden door de vele toejuichingen als sluitstuk van zijn optreden een heel bosje lucifers afstreek en tussen zijn kaken doofde, had hij een probleem. Drinken ging daarna nog wel, maar met eten had Dolle Dries het de volgende dagen een stuk moeilijker. Dolle Dries, compleet geschift. Of het waar is of niet, maar ooit schijnt hij het in Bangkok te hebben gepresteerd om, op een feestje van de Nederlandse consul ter gelegenheid van de verjaardag van de koningin, als Tarzan in een kroonluchter te hangen. Gedurende de tijd dat we in dok lagen, ging hij steevast stappen met een tulband op zijn kop. Hij had dat ding had gekocht van een Indiase taxichauffeur in Singapore en had bij de koop bedongen dat deze Hendrik (zoals wij Indiaërs noemden) hem moest leren hoe hij de vele meters stof om zijn hoofd moest wikkelen. Een wandelstokje, parmantig onder zijn arm geklemd, maakte zijn 'uitgaanstenue' compleet. Dat hij aldus uitgedost compleet voor paal liep, kon hem geen fluit schelen.

Rond middernacht, als de band in Airview het 'God save the Queen' inzette ten teken dat het sluitingstijd was, ontstond er een run op de reeds wachtende taxi's en bij het instappen hoefden we de chauffeurs niet te zeggen waar we heen wilden: Boogiestreet! Het beroemde straatje in Singapore, waar alleen maar eetkraampjes en eettentjes waren te vinden. Door het Carlsbergeffect zat de stemming er bij het verlaten van Airview optimaal in, en uitgelaten juinden we de chauffeurs op om als eerste het befaamde straatje te bereiken. Voor een paar Singaporedollars extra waren ze daar meestal wel voor te porren en met gierende banden scheurden ze dan door nachtelijk Singapore. Gelaten toekijkend hoe we uit de raampjes hingen en, als het een taxi met open dak was, als Romeinse veldheren overwinningsgebaren maakten tegen het omringende verkeer.

Boogiestreet. In termen van 'je bent jong en je wilt wat', denk ik met ontzettend veel plezier terug aan de keren dat ik hier mijn voetstappen heb gezet. Nóg ruik ik de houtskoolvuurtjes waarop de lekkerste sathé ajam, sathé babi en sathé gambing werd geroosterd. Ik zie weer voor me hoe ik met mijn maten neerstreek in een eettentje, het zoveelste pilsje van die avond soldaat maakte en een heerlijke rijsthap naar binnen werkte. Vooral in de weekends was het er beregezellig. Extra druk, en tussen het publiek van alle mogelijke pluimage, zag je er dan ook de upper ten van Singapore. Veel dames in het lang en heren in rok, die na een avondje theaterbezoek de gang naar Boogiestreet maakten om buiten in de zwoele tropennacht, nog even wat te eten, te drinken en uit de bol te gaan. Jonge jaren herleven als ik denk aan de dit straatje ergens in het centrum van Singapore. Niet alleen speelde zich hier een uitbundig nachtleven van eten en drinken en lol maken af, je zag er ook de meest wonderlijke types. Zoals bijvoorbeeld Tattooed Annie, die haar tatoeages liet bewonderen als je haar een pilsje of een paar dollarcenten beloofde. Voor wat meer was ze ook bereid haar 'intieme' tatoeages te laten zien. Wie ook altijd in Boogiestreet present was, was een klein Chinees meisje. Ik noemde haar Mee Kwee. Met een of ander Chinees tokkelinstrument kwam ze bij je staan en zong ze met die typisch Chinese klanken een liedje waarvan de eerste woorden klonken als 'Mee kwee, oh, mee kwee...'. De rest van de tekst ontging me compleet, maar het klonk zo vrolijk, dat ik aan het eind van haar optreden elke keer prompt naar mijn kontzak greep om haar wat geld toe te stoppen. Blijkbaar was dat zoveel, dat ze me voor een vaste weldoener ging beschouwen. Want was ik er eens niet, dan wisten collega's die wel de gang naar Boogiestreet hadden gemaakt te vertellen, dat Mee Kwee naar me had gevraagd. (: "Why mistuh Klamat no come")

Uitgaansvertier in de eerste jaren van mijn zeemansleven. Het roept nostalgische verlangens op nog eens terug te keren naar de plaatsen waar ik met mijn vaarkompanen zo machtig veel plezier heb beleefd. Het zou echter een vergeefse reis worden. Het 'Straatje van alles', Airview en Boogiestreet, ze bestaan niet meer. Net zo min als Kingstreet en Albertstreet, waar hetzelfde vermaak was te vinden als in Boogiestreet, alleen wat ingetogener. Bulldozers hebben al deze plekken met de grond gelijk gemaakt, om plaats te maken voor de gigantisch hoogbouw die nu de skyline van Singapore vormt.


Mijn belevenissen tijdens het dokken in Singapore nog eens nalezend, stroomt mijn geheugen over van herinneringen die ik nog niet heb verteld. Herinneringen die allemaal terugvoeren naar een jolige tijd. Ongestraft bleef dit ongebreideld plezier maken evenwel niet, want, na op werkdagen van acht tot vijf flink aanpoten in de vetloods, overdag in de weekends sightseeën en alle avonden stappen (met tussendoor ook nog een partijtje voetballen in de tropenhitte tegen een bierbrouwerij, waar men ons na afloop van de partij uitnodigde om ongelimiteerd onze dorst te lessen), is het niet verwonderlijk, dat iedereen na veertien dagen aardig het lek had. Van de lang verbeide boerennachten was niets terechtgekomen en hoe de pijp helemaal uitging, kan ik het best vertellen met een voorval dat plaatsvond op de laatste dag dat we in dok lagen. Alle geplande werkzaamheden waren gereed gekomen, en in de loop van de ochtend was het proefdraaien van de hoofdmotor en de hulpwerktuigen succesvol verlopen. Daarna was het aan de derde en vierde wtk (aan Peter Ester en mij dus), om alles in gereedheid te brengen om 's middags zee te kiezen. Alles liep volgens plan en 's middags om vier uur, toen de tweede wtk de machinekamer van ons overnam, konden we gaan douchen. Gedurende het vaarklaar maken voor vertrek, hadden Peter en ik ons nog prima op de been kunnen houden en ons werk kunnen doen, maar eenmaal in de doucheruimte bleek dat veertien dagen dokken met alles erop en eraan, onverbiddelijk zijn tol eiste. Total loss waren we. Zittend trokken we ons ketelpak en pendekkie uit, maar tot douchen kwamen we niet meer. We vielen als een blok in slaap! Terwijl wij helemaal gevloerd in de doucheruimte in Morpheus armen lagen, ging onderwijl aan boord alles gewoon zijn gang. Na het wegvaren van de dokkade en even daarna weer buitengaats, pakte iedereen de routine van weer op zee zijn op. Dat de derde en de vierde wtk zich niet lieten zien, was niets bijzonders. Ze hadden geen wacht en zouden wel in hun hut zitten. Maar toen we 's avonds niet aan de eerste tafel verschenen, en ook niet aan de tweede, vroeg men zich toch af waarom we niet waren komen opdagen. De eerste gedachte was natuurlijk "Die liggen te pitten". Dat was dus ook zo, maar niet waar men ons dacht te vinden, in onze hut dus. Toen een paar collega's hier gingen kijken, troffen ze die uiteraard dan ook leeg aan. Ook na verder zoeken bleven we onvindbaar. Werden we aanvankelijk alleen maar gémist, op een gegeven ogenblik werden we echt vérmist. Totdat er bij iemand het muntje viel; hij meende ons nog gezien te hebben toen we richting doucheruimte gingen. En daar vond men ons. Broederlijk naast elkaar liggend, allebei in onze blote tida ada. We sliepen zo vast, dat we niet eens merkten dat we gezelschap hadden gekregen. We lagen echter nog op de plek waar we ons ketelpak en pendekkie hadden uitgetrokken, om precies te zijn pal onder de douchekoppen, en dus was het een 'koud' kunstje om ons ervan bewust te maken niet meer alleen te zijn. En het is wel zeker dat de ongeruste collega's de koudwaterkranen met satanisch genoegen hebben opengedraaid.

Later gebeurde het nog eens dat Peter en ik bij wijze van spreken in elkaars armen de slaap des onschulds sliepen. Op een pendekkie na, waren we ook toen in onze blote niks. Hoe we voor de tweede keer in deze niet alledaagse situatie terechtkwamen en welke komische herinnering ik aan deze snurkpartij heb, dat vertel ik mettertijd nog wel. Na de dokbeurt in het King's Dock, lieten we op 13 december 1952 Singapore de achtersteven zien. Als eerste bestemming werd aangekoerst op Pladju, en vandaar ging de reis naar Pulu Bukom. Gedurende de drie dagen dat we hier binnenlagen, maakte bijna iedereen van de gelegenheid gebruik om over te steken naar Singapore, waar het 'Straatje van alles', Airview, Boogiestreet en al die andere bekende plekken lokten. Van het bezoek aan Airview herinner ik me, dat we ongewild mot kregen met een stel soldaten van het Vreemdelingenlegioen. Ze waren op weg naar het toenmalige Frans Indo-China en mochten in Singapore nog even de bloemetjes buiten zetten. Er staat me niets meer bij waarom die legionairs heibel zochten, maar wel weet ik nog dat er rake klappen werden uitgedeeld en dat we tegen deze getrainde vechtjassen niets hadden in te brengen. Maar we kregen hulp. Van een koppeltje Hollandse marineklanten. Deze Jannen vermaakten zich ook in Airview en ze waren niet te beroerd om zich solidair met ons te tonen. Het 'wij, Hollanders'-gevoel ontsteeg blijkbaar de van oudsher bestaande - niet te verklaren - controverse tussen de koopvaardij en de Marine. Er werd flink geknokt, maar toen de kruitdampen opgetrokken waren, werd alles pais en vree. Het verborgen gevoel van lotsverbondenheid tussen ons als zeelui en een stelletje legionairs die ook lang en ver van huis en haard waren, zorgde er waarschijnlijk voor dat de vredespijp werd gerookt. Over en weer boden we elkaar pilsjes aan en klonken we op elkaars gezondheid, die, op een paar blauwe plekken na, verder niet had geleden van de uitgedeelde klappen.

De volgende dag, 20 december, vertrokken we naar Hongkong. Onderweg naar deze vrijhaven, op de Zuidchinese Zee, werden de kerstdagen gevierd. Deze keer op een heel wat aangenamer manier dan de geflopte kerstdagen waar ik eerder over schreef. De kok had een voortreffelijk feestmaal bereid, waar ook de traditionele 'stuffed turkey' niet aan ontbrak en alles bij elkaar was het een smakelijke afwisseling op de gewone dagelijkse kost. Gastronomisch genieten. Zoals altijd met de kerstdagen op zee, had het verlangen om op deze dagen thuis te zijn zich ook nu weer extra doen gelden, maar de sfeer en onderlinge verstandhouding op de Cistula was dusdanig, dat men elkaar over eventuele weemoedige gedachten heen tilde. Er werd uiteraard gewoon wachtgelopen, maar omdat het werk, zowel in de machinekamer als aan dek, was stilgelegd, was er gelegenheid om in de rooksalon bij elkaar te komen en gezamenlijk toch een beetje een kerstsfeer te scheppen. Kerstviering op de Cistula, met veel plezier denk ik hieraan terug. Automatisch komen hierbij de sympathieke collega's van toen ook weer in beeld. Jammer genoeg moest ik twee maanden na deze plezierig verlopen feestdagen en na precies een jaar met hen te hebben opgetrokken, afscheid nemen van deze sobats. Onder omstandigheden die voor mij niet zo leuk waren. Maar daarover later.

Hongkong werd op 26 december bereikt. Na op de rede van deze plaats het anker uitgegooid te hebben, braken er een paar dagen van wachten aan. Op zich geen onaangenaam oponthoud, want er was mooi alle tijd om de bedrijvigheid rondom de Cistula gade te slaan. Schepen van allerlei nationaliteiten voeren af en aan en tussen al deze scheepsbewegingen veel Chinese jonken. Onder zeil en afgeladen met vracht, manoeuvreerden ze behendig door al het andere scheepvaartverkeer heen. Ferries doorkliefden het water tussen het eilandje waarop Hongkong ligt en Kowloon, gelegen op het vaste land.

Broodmager, maar verticaal en op eigen kracht!
Met als bestemming Miri op Borneo, het tegenwoordige Kalimanta, vertrokken we op de voorlaatste dag van het jaar 1952 uit Hongkong. Oud en Nieuw werd op zee gevierd. Net als de kerstviering, ook nu weer ergens op de Zuidchinese Zee. Over het algemeen werd het oude jaar vrij rustig uitgeluid en de eerste dag van het nieuwe jaar onderscheidde zich meestal van andere dagen doordat er op die dag geen torn toe werd gemaakt, wat toch een beetje een zondags gevoel gaf. De jaarwisselingen op zee staan me niet zo precies meer bij. Wat niet wil zeggen dat ze geheel ongemerkt voorbij gingen, soms waren er zelfs oliebollen, maar bijzondere herinneringen heb ik er niet aan. Er werd uiteraard gewoon wachtgelopen en degenen die geen wacht hadden, pakten hun normale uurtjes slaap. 's Nachts om twaalf uur werd de scheepshoorn gebruikt om het nieuwe jaar in te loeien, de enige manier om, ver van de bewoonde wereld, luidruchtig blijk te geven dat er aan boord ook een nieuw jaar begon. En dat was het dan zo'n beetje. Bij ruw weer verstierf het sonore geluid van de hoorn meteen in het lawaai van de storm en in het donderend geweld van de overslaande zeeën die het schip beukten. In rustig weer droeg het geluid wat verder, maar in beide gevallen waren het nauwelijks memorabele momenten. Op een oneindige zee, vooral op lange reizen, leken alle dagen op elkaar. Van de ene op de andere dag een nieuw jaar in varen, veranderde daar nagenoeg niets aan. Dit opschrijvend, herinner ik me, dat het soms zelfs moeite kostte om te bedenken wat voor dag het was. Het ezelsbruggetje 'wat eten we vandaag', bracht dan meestal uitkomst. 'Nasi goreng'. 'Oh, dan is het donderdag'. Op praktisch elk schip had elke dag van de week namelijk een vast menu, bijgevolg lag er een vaste link tussen wat er op tafel kwam en welke dag het was.

Haaien vangen
Na de overstap van het oude in het nieuwe jaar, werd op 3 januari 1953 Miri bereikt. Later kwam ik hier vaker en elke keer was het dan een verzetje haaien te vangen. Een flink eind touw met daaraan een vleeshaak, een stuk vlees aan de haak en takelen maar. De Chinese kok sneed de vinnen eraf en de volgende dag stond er dan haaienvinnensoep op het menu. Met de rest van de, overigens kleine haaien, wist de Chinese crew wel raad. Wat me eraan doet denken, dat de Chinezen gevangen vis aan een touwtje regen en ze op het achterdek te drogen te hingen. Stinken als de pest. Met tegen- of zijwind viel het nog wel mee, maar kwam de wind van achteren, dan drong de stank van rottende vis overal je neusgaten binnen.

Rotmuskiet
Na Miri volgde Pulu Bukom en vandaar werd weer eens koersgezet naar Australië. Port Adelaïde was hier de eerste plaats waar werd afgemeerd en vandaar ging het naar Port Lincoln en Port Pirie, drie Australische havens die vast in mijn geheugen staan gegrift. Niet zozeer omdat ze leuke stof opleverden voor mijn verhalen, maar omdat, naar later bleek, in een van deze plaatsen een mug een aanslag op mijn lichamelijk welzijn pleegde. Eén beet van die rotmuskiet had tot gevolg, dat mijn leven drie weken later danig in gevaar kwam.

Toen we, met bestemming Pladju, Port Pirie verlieten, mankeerde me nog niets en later van Pladju naar Pulu Bukom duidde ook niets erop dat ik een of andere ziekte onder de leden had. Nog kiplekker, kwamen we op 20 februari 1953 aan op Pulu Bukom waar in de verte Singapore lonkte. Noodzakelijk onderhoudswerk belette echter om meteen de oversteek te maken. Pas twee dagen later, op 22 februari, konden we ons opdoffen voor een bezoek aan de bekende uitgaansmogelijkheden in Singapore, waar we ons vol overgave instortten. Dat ik me de volgende dag tijdens mijn ochtendwacht van 8 tot 12 wat belabberd voelde, schreef ik dan ook toe aan de verschijnselen van de 'day after the night before'. Dus niet iets om zorgen over te maken. Maar in plaats van me allengs beter te voelen, werd ik steeds beroerder. Ik kreeg koorts en was blij toen mijn wacht erop zat en ik mijn kooi kon opzoeken. Maar slapen lukte niet en ik voelde dat de koorts alsmaar opliep. Bovendien begon ik te ijlen en te hallucineren. Ik kraamde allerlei onzin uit en sloeg wild om me heen. Het was werkelijk slecht met me gesteld en in die toestand trof de derde wtk me aan. Hij waarschuwde meteen de eerste stuurman, maar die kon niet veel anders doen dan zo snel mogelijk een arts naar de Cistula te laten komen. Gelukkig liet die niet lang op zich liet wachten, maar wat hij zei, wat zijn diagnose was en wat er met me moest gebeuren, het ontging me totaal. Ik kan me alleen herinneren dat ik onder de hoede van een collega (wie weet ik niet meer) in een bootje werd overgebracht naar Singapore en dat er daar een taxi klaarstond die ons naar het General Hospital bracht. Nou was het gekke, dat in de tijd dat we van boord gingen en we bij het ziekenhuis werden afgeleverd, ik het gevoel had dat me niets meer mankeerde. Ik voelde me dan ook knap lullig toen een broeder me bij de ingang van het ziekenhuis in een rolstoel plantte en me als een invalide naar 'zaal' reed. Misschien heb ik het ook wel gezegd, maar ik wilde op dat moment liefst zo snel mogelijk weer naar boord. Wat gelukkig niet is gebeurd, want achteraf gezien zou ik dan op zee zeker het vaantje hebben gestreken.

In het hospitaal werd ik meteen in bed gestopt en binnen de kortste keren stonden er twee dokters aan mijn bed. Bloed werd afgetapt en niet veel later kreeg ik te horen wat me mankeerde: malaria tropica. Het gevolg van de beet van die rotmuskiet ergens in Australië. Het werd me niet verteld, maar later hoorde ik dat malaria tropica een zeer gevaarlijke malariasoort is, met een overlevingskans van één op twee. Met andere woorden, ik liep het risico het ziekenhuis óf horizontaal uitgedragen te worden, óf het op eigen kracht verticaal te verlaten.

Overdag voelde ik me prima, maar 's avonds tegen een uur of zeven begon de koorts opzetten. Zó erg, dat mijn temperatuur tot een levensbedreigende hoogte opliep. Rond middernacht zakte de temperatuur en de volgende uren leek het alsof er niets meer aan de hand was. Tijdens de uren van hoge koorts, uitten zich dezelfde symptomen waar ik eerder al over schreef, maar nu kwam daar nog bij dat ik mijn bed verliet en ijlend door het ziekenhuis doolde. Het eigenaardige was, dat de, overigens lieve verpleegstertjes, me gewoon mijn gang lieten gaan. In plaats van me naar bed terug te brengen, namen ze me dan mee naar het zusterkamertje, waar ik een beker Ovalmaltine en lekkere koekjes kreeg. Behalve deze ervaring, gebeurde er niet veel om verhaal over te doen. Een beetje honger lijden (glazige aardappelen met postelein bijvoorbeeld, kreeg ik moeilijk door mijn keel), jeremiërende, boeren en scheten latende Singaporechinezen om me heen, krantje lezen (nog zie ik voor me hoe in grote koppen de dood van Stalin werd aangekondigd) en veel slapen, dat was het wel zo'n beetje. Bezoek kreeg ik niet. Mijn maten zaten op zee en verder was er niemand die ik aan mijn ziekbed kon verwachten.

De behandeling tegen de malaria pakte gelukkig goed uit en na het innemen van de nodige pillen, poeiers en drankjes, was ik na een dag of twaalf weer aardig bij de pinken. Precies weet ik het niet meer, maar het zal 12 of 13 maart 1953 zijn geweest, dat ik genezen werd verklaard en het ziekenhuis mocht verlaten. Broodmager en nog zo slap als een dweil, maar ... verticaal en op eigen kracht!

Ontsnapt aan de zeis van Magere Hein
Ik werd ondergebracht in het Marine Hostel, een hotel waar voornamelijk zeelui tijdelijk werden gehuisvest. Nog dezelfde dag dat ik hier mijn intrek nam, kreeg ik te horen dat het m.s. Tibia binnen een paar dagen in Singapore zou aankomen en dat ik op dit schip moest aanmonsteren. Koud drie dagen uit het ziekenhuis, zette ik op 16 maart 1953 voet aan boord van deze 18.000-tonner. Met nog slappe knieën en amper vlees op de ribben. Tijd krijgen om wat bij te spijkeren, was er niet bij. Schepen moesten bemand worden en consideratie hebben met iemand die maar net ontsnapt was aan de zeis van magere Hein, mocht daarbij geen rol spelen. Gezond verklaard, dus niet ziek. Niet ziek, dus varen. Dat was de keiharde werkelijkheid. Het hoorde bij het zeemansleven van toen.

Een lagere rang en tóch mazzel?
Wat ik rot vond, was dat ik weer 5e wtk werd. Een tegenvaller waar helaas niets aan te doen was. Ik vertelde al dat ik op de Cistula als wààrnemend 4e wtk voer, wat inhield dat men mij naar believen in een lagere rang kon terugzetten. Het had niets te maken met je werk niet naar behoren doen, maar met het feit dat, zolang je niet vast was aangesteld in de rang die je bekleedde en er op de een of andere boot iemand in een lagere rang nodig was, men je op dat schip kon plaatsen. Behalve dat de malaria me flink te pakken had gehad, had ik dus ook nog de pech minder gage te krijgen en weer de taken kreeg die bij een 5e wtk hoorden. Gewend aan 'u', werd ik op de Tibia ook weer 'jij'. Jammer, maar helaas. En, met even een blik op de toekomst, er zouden twee jaar overheen gaan alvorens ik weer promotie maakte. Eerlijkheidshalve moet ik hier wel bij aantekenen, dat bevordering tot een hogere rang afhankelijk was van het in bezit hebben van de vereiste diploma's. Bij mijn promoties indertijd bij de CSM en naderhand op de Cistula, bezat ik die diploma's nog niet. Op de keeper beschouwd, heb ik dus met het tussentijds in een hogere rang varen mazzel gehad.

Door het scheep gaan op de Tibia, kan ik voor mijn verdere verhalen helaas niet meer gebruik maken van het schrift van Peter Ester. In het hoofdstukje 'Een ouwe sobat is niet meer' vertelde ik hierover. Door de notities in dit schrift was ik in staat om in mijn verhalen exact alle havens te noemen waar ik met de Cistula ben geweest. Bovendien kon ik de belevenissen die ik op dit schip meemaakte, binnen vastgelegde datums plaatsen. Was die vermaledijde malaria geen spelbreker geweest, dan had ik dit nog langer kunnen doen, maar het lot wilde anders. En dus ben ik voor de komende verhalen aangewezen op andere bronnen. Althans, wat de aangelopen havens en datums betreft. Mijn belevenissen op de vaart zitten echter nog tussen de oren en bijgevolg ga ik gewoon door met het op papier te zetten van mijn herinneringen. Die dus hun vervolg krijgen met mijn lotgevallen op de Tibia..

Inhoudsopgave