14. Kinderhemdjes met herinneringen aan een 'plaatje'

Noblesse oblige...
Een pláátje
Even een kruisje slaan
Groot Barrièrerif
Potvissen
In een vliegende storm
Na herfst komt... herfst
Thuis!
Alwéér de Marine
Verlief, verloofd... vertrokken
Nou, tabee dan...
Tankeritis
Liever water ónder me dan lucht bóven me
What have I got in my hands?!
Wat een slangenbezweerder kan, kan ik ook
Beurse billen
Gekookte soepjurk
Een amok makende Chinees
Een nachtje vreemdgaan
Drie rondjes om de mast?
Gedwongen uit mijn dak...
Een kapotje en een kokertje op de wind
Leer een oedang zwemmen
Drinkend rijk worden...
Kokertje op de wind

Nadat ik was aangemonsterd op de Tibia, 16 maart 1953, zou dit schip acht maanden mijn thuis worden. Acht maanden waarin heel wat reizen van hot naar her werden gemaakt, maar, vanuit de Oost, toch voornamelijk naar Australië en Nieuw Zeeland. Hierdoor kwam ik ook weer in plaatsen waar ik met de Cistula was geweest, maar nu ook in Onslow, Perth, Adelaide, Geelong, Woolongong, Sydney, Newcastle, Gladstone, Townsville, plus een paar minder bekende havens. Verspreid over verschillende reizen, een driekwart rondje Australië. In Nieuw Zeeland waren de bestemmingen onder meer Auckland en Wellington.

Aan mijn reizen met de Cistula naar 'down under' heb ik al een paar verhalen gewijd en een aantal reizen met de Tibia naar dit deel van de wereld in beeld halend, levert herinneringen op die interessant genoeg zijn om een vervolg te geven aan deze verhalen. Daarbij is het misschien nuttig even te vertellen dat het in de jaren vijftig in Australië en Nieuw Zeeland wat rustiger toeging dan in de rest van de wereld. Tenminste, als het ging om het lossen van tankers. Vaak gebeurde het dat bij het binnenlopen van een haven niet meteen met het uitpompen van de lading begonnen kon worden. Een dag wachten was normaal. Bovendien was het geen uitzondering dat er gelost werd door een acht inch pijpleiding. Het duurde daardoor minstens een paar dagen voordat een twaalf- of achttienduizend tons tanker leeg was. Dit tot ongenoegen van de ouwe - elk uur werkeloos binnenliggen kostte een gigantische smak geld - maar de met minder strepen bedeelde regionen vonden het prachtig. Meer tijd om de wal op te gaan, of, en dat was spekkie voor 't bekkie, van de gelegenheid gebruik maken om een feestje te organiseren met verpleegstertjes van het plaatselijke hospitaal, een traditie op de Shellvloot tijdens reizen naar Australië en Nieuw Zeeland. Hoewel het wel enige overredingskracht kostte om de 'matron' van de zustertjes zover te krijgen dat haar 'nurses' aan boord mochten komen, lukte dat meestal toch wel. Er ging nog iets romantisch en avontuurlijks uit van het zeemansberoep, en voor walslurpen was het best wel spannend een kijkje aan boord van een groot schip te nemen en eens in het gezelschap van zeeofficieren te vertoeven.

Noblesse oblige...
Meestal was de 1e stuurman de aangewezen persoon om het hospitaal te bellen en om goed te kunnen vertellen hoe zo'n gesprek verliep, citeer ik hier een oud-stuurman die zo'n telefonisch onderhoud eens op papier zette. Terwijl vooral de jongere officieren om hem heen stonden en gretig luisterden naar wat hij zei, verliep zo'n dialoog volgt: 'Yes, yes, this is the chief officer of a Royal Dutch Shell tanker, could I speak to the matron of the nurse's home please... Yes, the matron...!' En dan, als de verbinding met de hoofdzuster tot stand was gekomen, weer zeer nadrukkelijk: 'Yes, you are speaking with the chief officer of a Royal Dutch Shell tanker... ' Kortom, de matron diende te begrijpen dat zij een uitzonderlijk hoge pief van het Merchant Navy officierencorps aan de lijn had. Om dan te vervolgen met: 'I wonder, could we possibly have a small party aboard our ship...? Say ten or fifteen nurses. And yourself ofcourse... Oh, you can't yourself. That's a pity... For the nurses not later than midnight...? Yes, yes, I fully understand. No, no, don't worry. I keep an eye on the party myself... Thank you very much indeed....' Terwijl the chief nog wat beleefdheden uitwisselde, ging zijn gehoor spoorslags de rooksalon optuigen, van alles koud zetten en de kok bestoken om lekkere hapjes klaar te maken. Inmiddels werden er sfeervolle plannetjes gesmeed om de visite een onvergetelijke avond te bezorgen. Alles in het nette natuurlijk. Met zijn woord aan de matron dat ze zich geen zorgen hoefde te maken, zou het tegenover de chief niet fair zijn onwelvoeglijke streken uit te halen met een stel leuke verpleegstertjes. Bovendien had hij haar zeer nadrukkelijk op het hart gedrukt dat het een feestje aan boord van een tanker van de Koninklijke Hollandse Shell betrof. En Noblesse Oblige, nietwaar.

Hartstikke leuke feestjes waren het. Gezelligheid troef. Als zeeman zeer schaars in de mogelijkheid omgang te hebben met de andere sexe, was je bovendien al gauw in de waan nog nooit aardiger meisjes ontmoet te hebben. Eén blik van een verpleegstertje van wie je dacht dat ze je wel mocht, was al voldoende om gevoelens van verliefdheid op te roepen. Die overigens van korte duur waren. Want, zoals de matron beloofd, tegen twaalf uur werd er vervoer voor de lieftallige gasten geregeld en met de terugkeer van de nurses naar het hospitaal, verdween ook snel de verliefdheid. Bovendien wachtte kort daarna weer de oneindige zee en was het maar zeer de vraag of er zich ooit nog een gelegenheid zou voordoen om het contact te verstevigen. Op de Tibia, en binnenliggend in Auckland, heb ik tijdens zo'n feestje niettemin toch een keer gedacht dat Amor's pijl me zo trefzeker had geraakt, dat ik er vast van overtuigd was dat er iets moois tussen mij en een Nieuw Zeelands verpleegstertje kon opbloeien. Maar na elkaar één keer een brief te hebben geschreven, bleek de afstand tussen Auckland en Surabaya - waar ik haar brief ontving - al te groot om de gevoelens jegens elkaar diepere inhoud te geven. Waarschijnlijk heeft het vooruitzicht van hoofdzakelijk alleen maar 'papieren liefde' haar ingegeven om haar verliefdheid snel te bekoelen. Bij mij stond die trouwens toen ook al in de ijskast. Misschien wel aardig om hier alvast toch even te vertellen, dat ik een paar jaar later zou ervaren dat een papieren liefde wel degelijk elke denkbare afstand kan overbruggen. Maar dan praat ik over de periode uit mijn zeemansleven waarover mijn verhalen nog moeten komen.

Een pláátje
Door de karige mogelijkheid om als zeeman contact te hebben met de andere kunne, was er blijkens bovenstaand verhaal weinig voor nodig om het hoofd op hol te laten brengen door een leuke meid. En wat dat betreft was ik geen uitzondering. Met mijn interesse voor de andere sexe was niks mis mee, en dééd zich de luxe eens voor in damesgezelschap te verkeren, dan fladderden de vlinders al gauw door mijn buik. In Sydney leidde dit eens tot een komische situatie. De sparks, een collega 5e wtk en ik waren de wal opgegaan voor 'spullen kopen en pilsje pakken'. En echt, deze keer kwamen de spullen het eerst aan de beurt. Dingetjes voor persoonlijke verzorging, maar ook was ik toe aan nieuw ondergoed. Onderbroeken en hemdjes. In scheepstaal, pendekkies en singletjes. Voor al deze benodigdheden bracht een taxi ons naar de Woolworthstore, een gigantisch groot warenhuis, waar we ons niet alleen vergaapten aan alles wat er te koop was, het was bovendien een eldorado van vlotte, prachtig ogende verkoopstertjes! Zaak dus om zoveel mogelijk deze schoonheden aan te klampen en te vragen waar we dit of dat konden vinden. En op die manier kwamen we ook op de afdeling pendekkies en singletjes. En daar stond me toch een plaatje.... Ik kon mijn ogen niet van haar afhouden. Ook niet toen ik haar duidelijk maakte dat ik van die, wijzend naar een vitrine met singletjes en alleen maar oog voor haar hebbend, 'half a dozen' wilde hebben. Dat ze me met “but, that are...” probeerde te behoeden voor de miskoop van het jaar, drong totaal niet tot me door. Ze was dan ook zo 'skoftig' mooi... Mijn verstand stond op dat moment compleet op nul. Stom, want het had toch nooit iets kunnen worden. Het ware beter geweest, dat ik wat meer aandacht aan haar 'maren' had besteed. Want, terug aan boord de gekochte spullen uitpakkend en de film van de ontmoeting met dat 'plaatje' nog eens terugdraaiend, drong het pas tot me door wat ze me duidelijk had proberen te maken: Met nog zoete herinneringen aan haar oogverblindende schoonheid, kwamen er namelijk zes kinderhemdjes uit het pakje! Veel te klein dus. Maar toch heb ik ze als een relikwie bewaard. En later zelfs nog gedragen. Ze zaten een beetje krap om de borst en in de lengte reikten ze tot net over mijn navel, maar dat was lekker koel in de tropen

Even een kruisje slaan
Van een van de reizen met de Tibia herinner ik me, dat we, varend in de Tasman Zee met als bestemming Wellington in Nieuw Zeeland, in bar slecht weer terechtkwamen. Geen uitzonderlijke gebeurtenis, maar toen de zee was uitgeraasd, was het toch even slikken.

Aanvankelijk was het een reis zoals vele anderen. Wachies pikken en torn toe maken. In de vrije uurtjes elkaar opzoeken, gezellige praat en een beetje kankeren op alles en nog wat. Weinig te beleven, en dus het normale patroon tijdens een lange reis. Hoewel, ik deed toch een paar nieuwe ervaringen op die ik hier even vertel.

Groot Barrièrerif
Komend uit, ik meen, Balikpapan of Miri en een oostelijke koers varend tot aan de Torres Straat, lag daarna, na een koerswijziging in zuidelijke richting, het Groot Barrièrerif voor de boeg. Door stuurlui niet zo gewaardeerd vanwege het moeilijk navigeren tussen de riffen, maar niettemin was het een aparte belevenis door dit wel 2.000 kilometer lange koraalgebied te varen. Een reusachtig grote schitterende onderwaterwereld van bruine, groene, rode, blauwe en gele koralen. Doordat er bijna een miljoen verschillende levensvormen voorkomen, terecht het regenwoud van de zee genoemd. Bovendien is het Groot Barrièrerif buitengewoon rijk aan leven en wordt het rif, naast poliepen en anemonen, bewoond door talrijke prachtig gekleurde vissen. Ondanks dat het door de snelheid van het schip bijna niet mogelijk was om optimaal van al dit moois te genieten, zag ik toch meermalen schitterend gevormde en gekleurde koraalbanken. Vooral als ze niet al te diep onder het zeeoppervlak lagen en meerdere kilometers lang waren.

Potvissen
Interessant tijdens deze reis was ook het gadeslaan van scholen potvissen in het noordelijk deel van de Tasman Zee. Maar enkele honderden meters voor, naast en achter het schip, was keer op keer te zien hoe ze hun adem als een fontein boven het wateroppervlak uitstoten en met een beetje geluk voltrok zich soms een ongelooflijk schouwspel. Ik zag dan, hoe de machtige lijven van twee van die kolossen meters boven de zeespiegel uitsprongen en met geweld tegen elkaar botsten. Massa's water opspattend als ze weer in zee plonsden.

In een vliegende storm
Zal ik de pracht gedurende het varen door door het Groot Barrièrif en het bekijken van de potvissen in de Tasman Zee niet licht vergeten, wat er daarna gebeurde zeker niet. Voordat ik even afdwaalde naar het beschrijven van een paar nieuwe ervaringen op weg naar Wellington, vertelde ik dat we in de Tasman Zee in ontzettend slecht weer terechtkwamen. Ergens heb ik eerder al eens beschreven aan welke beproevingen schip en opvarenden bij extreem slechte weersomstandigheden blootstaan en het lijkt me dan ook niet zinvol dat hier opnieuw te doen. Vandaar dat ik het er bij laat met te zeggen, dat we in een vliegende storm verzeild raakten. De honden lusstten er geen brood van. Flink afzien dus, maar zoals altijd klaarde na een paar dagen het weer ook nu weer op en was het leed gauw geleden. Alleen, toen de storm was uitgeraasd en het mogelijk werd om eventuele averij op te nemen, kregen we alsnog zowat een rolberoerte. De gedachte dat de Tibia bij langer aanhouden van het noodweer een vreselijk lot tegemoet had kunnen gaan, bezorgde ons alsnog de rillingen. Want, bij de inspectie van de, vlak achter de midscheeps gelegen pompkamer, bleek deze vol water te staan. Het meer dan honderdvijftig meter lange schip had door de razende zee dusdanig op zijn donder gekregen, dat er, naast nog andere averij, ter hoogte van de pompkamer een grote scheur in de romp was ontstaan. Precies op een lasnaad. En juist deze constatering bezorgde ons postnatale bibbers. Waar normaliter niet aan gedacht werd, drong nu tot ons door. We beseften ineens dat we een gelast schip onder onze kont hadden. Niks mis mee in een tijd dat geklonken schepen tot het verleden gingen behoren en er steeds meer gelaste schepen werden gebouwd, maar het was in de tijd dat we regelmatig berichten ontvingen over doormidden gebroken gelaste tankers tijdens stormweer. Geen leuke berichten, en het idee dat de Tibia hetzelfde lot had kunnen ondergaan, gaf wel reden om even van kleur te verschieten. Ik zag zelfs een paar collega's een kruisje slaan.

Gelukkig kon er doorgevaren worden en werd Wellington zonder verdere noodlottige averij bereikt. Wat volgde om de pompkamer watervrij te maken, de lading uit te pompen en de scheur in de romp te repareren, is niet interessant om verhaal over te doen. Alles bij elkaar nam het flink wat tijd in beslag, wat als voordeel had, dat er een paar keren extra de wal kon worden opgegaan.

Na herfst komt... herfst
Gerekend naar de seizoensindeling op het zuidelijk halfrond, vond de bijna-ramp met de Tibia plaats in de herfst van 1953. Een paar maanden later was het voor ons opnieuw herfst. Maar toen zaten we dan ook op het noordelijk halfrond in Europese wateren, op weg naar Engeland. Na Wellington hadden de vaarorders namelijk weer richting de Oost geluid en na wat omzwervingen in deze contreien, werd de Tibia naar de Perzische Golf gedirigeerd. Hier werd de bekende order 'Lands End for orders' ontvangen, wat, zoals gebruikelijk, reden gaf tot een opgewonden stemming. Immers, de uiteindelijke bestemming zou met een beetje geluk Pernis kunnen worden en dit prettige vooruitzicht hield de gemoederen danig bezig. Zoals ik eerder al eens vertelde, het gedrag van de opvarenden begon dan zenuwachtige trekjes te vertonen, die toenamen naarmate Lands End dichterbij kwam. Tijdens mijn allereerste reis met de Murena was dat nog niet zozeer het geval, maar deze keer voelde ook ik de spanning door een kans te krijgen om weer eens herenigd te worden met mijn familie.

Maar helaas, helaas. Voor de Tibia kwam Pernis niet voor in het vaarplan van de Shell. In de Golf van Biskaje werd bericht ontvangen dat de eindbestemming Swansea aan de westkust van Engeland, was. Bijgevolg geen golf van blijdschap door het hele schip, maar een zee van teleurstelling. Het enige wat overbleef, was proberen te regelen om familie naar Swansea over te laten komen. Vooral de getrouwde collega's was er alles aan gelegen om voor even weer met vrouwlief herenigd te worden. De sparks kreeg het druk met telegrammen versturen waarin het thuisfront werd geïnformeerd omtrent datum van aankomst en dat aanvullende gegevens opgevraagd konden worden bij het Shellkantoor in Rotterdam. Werk aan de winkel voor het thuisfront, want in een tijd dat vliegen nog niet tot de gewoonste zaak van de wereld behoorde, had het heel wat voeten in aarde voordat alles geregeld was om vanuit Holland aan de andere kant van Engeland te komen.

Zelf was ik natuurlijk ook zwaar teleurgesteld, maar kort nadat de sparks het telegram met de eindbestemming Swansea had ontvangen, sloeg mijn teleurstelling om in blijdschap. Want, ongeveer een dag voordat we Swansea bereikten, kwam de hoofdwtk mijn hut binnen met de verheugende mededeling dat ik zou worden afgelost. Eindelijk met verlof! Eindelijk over enkele dagen weer eens vertoeven in de zo lang gemiste omgeving van thuis!

Thuis!
Vóór aankomst in Swansea en op zee koffers pakkend, maakte mijn eufore stemming vreemd genoeg echter plaats voor een gevoel van onbehagen. Een gevoel alsof een lang verbeide prettige gebeurtenis toch nog te plotseling komt. Ineens vroeg ik me af wat ik eigenlijk thuis moest doen. Vanaf het moment dat ik in Kiel op de Cistula aanmonsterde, 26 februari 1952, waren er twintig maanden verstreken. Twintig maanden waarin ik, na de oversteek van de Atlantische Oceaan in het zuiden van Noord-Amerika was terechtgekomen, om, via weer de Atlantic, de Middelandse Zee, de Rode Zee, Perzische Golf, de Indonesische wateren en een omweggetje naar Hong Kong, uiteindelijk in Tasmanië, Australië en Nieuw Zeeland te belanden. Zoals ik vaak pleeg te zeggen, zover weg, dat ik bij het nog verder gaan, weer dichter bij huis kwam. Met het van haven naar haven varen, had ik de halve aardbol over gezworven. En al die maanden was ik gekluisterd aan het zeemansleven. Ik was helemaal vergroeid met het leven aan boord en met de nukken van de zee. Alles wat er in de machinekamer gebeurde was een deel van mezelf geworden; zelfs de zo vaak vervloekte hitte in de machinekamer tijdens varen in de tropen. Al koffers pakkend, daalden twintig maanden op zee op me neer. Het had een onuitwisbaar, niet te omschrijven, zeemansstempel op me gedrukt. Natuurlijk had ik vaak verlangens gehad eens thuis te willen zijn, maar ik was vrijgezel en de gedachte over een paar dagen het zo vertrouwde leven aan boord vaarwel te moeten zeggen, deden die verlangens plotseling vervagen. Eigenlijk waren ze er helemaal niet meer.

Op 3 november 1953 stapte ik in Swansea aan wal en liet de Tibia achter me. Na een lange treinreis dwars door Engeland, kwam ik via Londen in Harwich aan, waar ik op de ferryboot stapte voor de overtocht naar Hoek van Holland. Daar aangekomen en voet op Hollandse bodem zettend, begon er toch weer iets in me te tintelen. Het blije gevoel dat ik kreeg na de mededeling van de baas dat ik afgelost zou worden, was weer terug. En met dit gevoel stapte ik in Hoek van Holland in de trein richting Friesland. Naar Franeker, waar mijn moeder, broer en zuster intussen woonden. In mijn blijdschap hen eindelijk weer eens te zien, verzond ik vanaf het station Amersfoort een telegram: 'Kom eraan! Stop. Henk'. Luttele uren daarna was er, na twintig maanden elkaar niet gezien te hebben, een feestelijke hereniging. Een vreugdevol sluitstuk van mijn tweede contract, dat maar liefst anderhalf jaar en twee maanden had geduurd.

Werd ik na mijn eerste contract na drie weken al weer naar zee gestuurd, deze keer zou ik aanmerkelijk langer aan de wal blijven. Om precies te zijn, op een paar dagen na een jaar.

Alwéér de Marine
Na de eerste drie weken van mijn verlof goede sier te hebben gemaakt, maakte ik op 1 december 1953 opnieuw kennis met de Koninklijke Marine. Deze keer echter niet vrijwillig, de Shell had mij namelijk uitverkoren om een koopvaardijbeveiligings-opleiding te volgen bij de Zeemacht in Den Helder. Niet dat ik dat leuk vond, maar ergens was het toch ook wel een buitenkansje. In zekere zin betekende het drie en een halve maand extra verlof. Wel moest ik doordeweeks in Den Helder verblijven, maar in de weekends was ik in ieder geval thuis.

Verlief, verloofd... vertrokken
Nadat de Marine me had bijgebracht hoe ik allerlei schiettuig moest bedienen, besteedde ik de rest van mijn verlof aan studie en regelmatig stappen, maar behalve deze activiteiten gebeurde er ook iets dat een ommekeer in mijn leven bracht. Eind 1953, net een paar weken in opleiding bij de Marine, ontmoette ik namelijk het meisje waar ik waar ik verliefd op werd: Neeltje. En zij op mij en in de maanden die volgden leerden we elkaar dusdanig goed kennen, dat we besloten ons te verloven. Dit heuglijke feit vond plaats op 17 oktober 1954. Een dag erna vertrok ik per vliegtuig naar Singapore.

Nou, tabee dan...
Het afscheid op Schiphol was heel innig geweest, maar ondanks dat ons een lange scheiding te wachten stond, werd er slechts een enkel traantje geplengd. Neeltje en ik stonden voor het eerst voor een situatie die we niet kenden. We wisten nog niet hoe we een lange scheiding zouden ervaren, en het was misschien daarom dat het afscheid een beetje verliep in de trant van “Nou tabee dan, tot over misschien anderhalf jaar”. Welke gevoelens ons in die tijd zouden gaan beheersen, daarvan hadden we nog geen weet. Eén ding zou zeker blijken, voor mij brak er een periode aan waarin 'varen' geleidelijk een andere inhoud kreeg. Vooral toen we eenmaal getrouwd waren en er kinderen kwamen, ontstond er een tweestrijd tussen de gehechtheid aan het leven op zee en het verlangen bij vrouw en kinderen willen zijn.

Tankeritis
Samen met een 3e stuurman stapte ik op 18 oktober 1954, een dag na de verloving, op Schiphol voor de eerste keer in een vliegtuig. Een Lockheed Super Constellation van de KLM. Personeel van de Shellvloot uit- en thuisvliegen kwam in zwang, wat een hele belevenis voor de betrokkenen was. Vliegen was voor bijna niemand weggelegd en het werd als een bijzonder luxe manier van vervoer gezien. En dat was het ook. Als passagier werd je de gehele reis in de watten gelegd, terwijl de accommodatie in niets leek op het 'veel makke schapen in één hok' van vandaag de dag. Alles ruim bemeten, met een breed gangpad waar je je niet in allerlei bochten hoefde te wringen om elkaar te passeren. Luxe stoelen die je in een zodanige stand kon zetten, dat je ook werkelijk kon liggen. Bij het zomaar even een kijkje nemen in de cockpit en een praatje maken met de piloten, werd je geen strobreed in de weg gelegd. Op die manier kan ik me bijvoorbeeld nog herinneren hoe ik vanuit de cockpit vrij uitzicht had op de gigantische zandbak die Saoudi-Arabië heet en hoe het tropisch regenwoud van Malakka als een oneindig groot boerenkoolveld onder me doorgleed.


Amsterdam - Singapore telde vier tussenlandingen, Rome, Damascus, Karachi en Bangkok. Duurde de tussenstop om bepaalde redenen te lang, dan werd de wachttijd overbrugd door de passagiers een rondrit door de stad aan te bieden. Tijdens de voorlaatste stop, in Karachi, waren hotelkamers gereserveerd waar je je kon opfrissen en waar je zonodig wat slaap kon pakken. Overigens, na de landing in deze stad, zag ik iets dat de inleiding vormde waarom vliegen minder aantrekkelijk voor me werd. Een toestel was bij de landing gecrashed en lag er nogal verkreukeld bij.

Liever water ónder me dan lucht bóven me
Na Karachi dus naar Bangkok. Voordat van hieruit werd vertrokken voor het laatste stuk naar Singapore, moest ik eerst nog meemaken dat het vliegtuig de start moest afbreken vanwege motorpech. Een intermezzo waar ik toch wel even de bibbers van kreeg. Na de tweede maal het luchtruim te hebben gekozen, werd bijna drie dagen na het vertrek uit Amsterdam Singapore bereikt. Bewaar ik aan mijn eerste vliegreis behalve de genoemde akkevietjes, geen echt nare herinneringen, later baalde ik als een stekker als er weer een vlucht voor me was geboekt. Dat ik toen het standpunt huldigde liever net zoveel water onder me te hebben dan lucht, had zo zijn redenen waar ik later nog wel eens verhaal over doe.

Op het vliegveld van Singapore werden we opgewacht door iemand van kantoor. Bij mijn vertrek uit Holland was me nog niet verteld op welke boot ik geplaatst zou worden, maar de kantoorman begroette me met “You are going to the Tibia”. Groot toeval. Hetzelfde schip dus dat ik een goed jaar eerder in Swansea achterliet. Het zou echter nog een dag of wat duren voordat die boot in Singapore aankwam, en de tussenliggende tijd bracht ik door in het Marine Hostel. Uit voorgaande verhalen is wel gebleken, dat Singapore bekend terrein voor me was en vervelen deed ik me dan ook niet. Ik zocht echter niet het uitbundig vermaak waar ik eerder over vertelde, er wachtte nu thuis iemand met wie een toekomst opgebouwd moest worden en daar waren centjes voor nodig. Dus zoveel mogelijk de hand op de knip. Een dagelijkse gang naar het 'Straatje van Alles' was echter vaste prik. Al was het alleen maar om even weer die aparte sfeer te proeven en mezelf de kans te geven er een ouwe sobat tegen het lijf te lopen. Een wandeling door de stad had als vast doel regelmatig even binnenlopen bij 'meneer Karelsen', chef personeelzaken van Shell Tankers. Niet alleen om wat geld te halen (maximaal 15 Singapore dollars per dag), maar ook om te informeren of mijn hutkoffer al terecht was die ergens tussen Amsterdam en Singapore was zoekgeraakt. Een kleine ramp. Vooral als de Tibia richting Europa, dus de kou zou ingaan. In de hutkoffer zaten namelijk mijn blauwe uniform en warme kleding. Gelukkig had ik wel nog de koffer met tropengoed en hoefde ik dus niet te blijven rondlopen in het kloffie dat ik aan had bij vertrek uit Holland, maar gedurende mijn verblijf in Singapore kwam de hutkoffer niet boven water en eenmaal weer op zee, rekende ik er ook niet meer op dat dat ding ooit nog eens terecht zou komen.

Na precies een week in het Marine Hostel gebivakkeerd te hebben, stapte ik op 28 oktober 1954 aan boord van de Tibia. Zonder slag of stoot was dat trouwens niet gegaan. Het was namelijk de bedoeling geweest, dat het schip op de rede van Singapore ten anker zou gaan en dat ik er 's ochtends om halfzeven vanaf Cliffordpier met een bootje naar toe gebracht zou worden. Maar amper van de kant en op ruim water, ontlaadde zich een gigantisch zware tropische bui. Het zicht werd nul. Felle bliksemstralen en knetterende donderslagen boorden zich onophoudelijk door een ondoordringbaar watergordijn. Een angstige belevenis, temeer omdat er ook een halve storm opstak die het bootje zo heen en weer deed slingeren, dat het elk moment kon omslaan. Met gevaar naar de haaien te gaan (bij bosjes aanwezig), kon, hoewel met grote moeite, gelukkig de steven worden gewend om de veilige wal op te zoeken. Dat lukte, maar zoals het in de tropen gaat, net zo snel de bui was komen opzetten, verdween hij ook weer. Opnieuw dus het water op, maar van de Tibia geen spoor. Toen na drie uur ronddobberen daar geen verandering in kwam, voor de tweede keer terug naar de wal, om daar te horen dat het schip met ladingproblemen op Pulu Sambu lag. Door het oponthoud vanwege deze problemen, ging ik uiteindelijk pas twaalf uur na gepland scheep op het mij bekende schip en was ik eindelijk daar waar ik me weer thuis voelde. Zelfs het gegeven dat er in Holland nu iemand op me wachtte die me nader stond dan wie dan ook, en de wetenschap dat het misschien wel anderhalf jaar kon duren voor ik haar weer zag, kon dat gevoel niet wegnemen. Nu moeilijk voor te stellen, maar het zeemansleven van toen was nou eenmaal zo. Lang van huis en alleen maar papieren liefde. De steeds sterker wordende verlangens naar elkaar zorgden echter voor een dusdanig sterk bindmiddel, dat die liefde bestand was tegen een lange scheiding. Wat zeker voor mij gold. Denken aan Neeltje gaf warme tintelingen die er voor zorgden dat de dagen, weken en maanden blij werden overbrugd. Ik verheul niet dat er ook wel eens beroerde momenten tussen zaten, maar die maakten gewoonlijk snel weer plaats voor de blije gedachte dat eens weer het moment zou aanbreken dat we elkaar zouden weerzien. Om tijd te winnen op de opgelopen vertraging, was de Tibia niet ten anker gegaan om me op te pikken. Het schip werd alleen even stilgelegd en, terwijl er nog vaart inzat, beklom ik de statietrap die, nadat ik nog maar net aan dek stond, als een haas werd binnengehaald. Meteen daarop ging de telegraaf op volle kracht vooruit. Er lagen weer maanden van leven en werken op zee voor me. Met alle ups en downs van het zeemansleven.

Helaas was mijn hoop om mijn derde contract als 4e wtk te beginnen niet bewaarheid en dat betekende voorlopig weer vele malen 'rondjeslopen'. Op de 4 tot 8 wacht, als assistent van de 2e wtk. Voordeel was, dat de second me als een zeer ervaren oudste vijfde beschouwde en veel leuke klusjes aan mij overliet die hij anders zelf deed. Waaronder 'diagrammen trekken' (uitleg zou een te technisch verhaal worden), maar ook manoeuvreren bij het aanlopen- en bij vertrek van een haven. Na Singapore achter ons te hebben gelaten, werd de steven gericht op Suez, om vandaar naar Port Soedan te gaan en vervolgens richting Perzische Golf. Aankoersend op de Rode Zee, ging de eerste week voorbij met het dagelijks oorverdovende lawaai van luchthamers waarmee de Chinezen het dek bikten. Om knettergek van te worden. Maar tegen de tijd dat de eilandengroep de 12 Apostelen in zicht kwam en de berg Sinaï (die altijd weer even deed denken aan de tien geboden) aan stuurboord verscheen, behoorde die ellende allang weer tot het verleden. Beroerder was, dat ik inmiddels weer flink onder de rooie hond zat. Wat dat betekende en dat er weinig tegen te doen was, heb ik eerder al eens verteld. Het was onlosmakelijk verbonden met de stinkende hitte in de tropen, waar vooral het machinekamerpersoneel mee te kampen had. Hitte en zweten, onderwerp voor een never ending story. Zwengel dit onderwerp aan bij vooral oud-wtk's uit de jaren vijftig en de verhalen komen los over klusjes in het ketelruim, waar op zee de hulpketels op motorschepen 'gestookt' werden met de uitlaatgassen van de hoofdmotor. Ze zullen vertellen dat het daar dan zo heet was, dat boven op de ketels een emmer water na enige tijd ging koken. Onder deze onmenselijke omstandigheden bijvoorbeeld alleen maar een hoofdstoomafsluiter opendraaien om 'stoom aan dek' te geven, betekende bijna letterlijk stikken van de hitte. En zo zullen er meer sterke verhalen loskomen. Allemaal onzin? Absoluut niet, ik heb het zelf allemaal meegemaakt.

What have I got in my hands?!
Op 15 november bereikte de Tibia Suez, waar de helft van de lading werd gelost. Inmiddels was ik goed veertien dagen aan boord en werd ik nog niet geplaagd door tankeritis, het van 'lang-van-huis' virus waar iedereen op den duur last van kreeg. Bijna alle collega's waren al langer dan een jaar niet thuis geweest (de sparks zelfs in geen 3½ jaar ) en dat was goed aan hen te merken. De 3e stuurman liep regelmatig door de gangen met zijn wijsvingers voor zijn hoofd en vroeg dan wat hij was. Hartstikke gek natuurlijk. De 2e stuurman was wat dat betreft ook al in een ver gevorderd stadium. Tijdens een maaltijd gooide hij een stuk pudding in een sneldraaiende kipas (ventilator) die boven de eettafel zoefde en prompt zat iedereen onder de puddingsproeten. En de messroomboy's natuurlijk de pest in om de troep op te ruimen. En zo vertoonde iedereen wel symptomen van tankeritis. Bij mij uitte zich dat later in onder meer in de geboorte van de 'peanuttruc'. Bij elke openstaande deur of bij het aan tafel gaan riep ik - de armen wijd gespreid als een veldprediker - iedereen toe: “What have I got in my hands?”. Waarop als antwoord kwam: “Nothing!”. Nadat dit ritueel zich een drietal keren had herhaald, toverde ik een pinda uit de lucht, die ik dan liet zien met nog één keer: “What have I got in my hands'!”. “A peanut!!”, klonk het dan in koor. Dat ik deze onzin uit den treure op de collega's losliet zonder dat ze uit hun rol vielen, wijst erop, dat ook zij behoorlijk leden aan het lang-van-huis-zijn syndroom.

Wat een slangenbezweerder kan, kan ik ook
Een 'ernstig' geval van tankeritis heb ik meegemaakt na vertrek uit een haven ergens in India, waar een 3e wtk een slang, inclusief bijbehorende mand, had gekocht. 'Wat een slangenbezweerder kan, kan ik ook', meende hij, en met zijn pas verworven aanwinst keerde hij terug naar boord om daar zijn kunsten te vertonen. Maar, of het daar nu wel of niet aan heeft gelegen, hij had geen slangenbezweerdersfluit en dacht dat hij die griezel ook wel met een mondharmonica tot leven kon brengen. Mooi niet natuurlijk, en toen was meteen de lol eraf. Zijn hele act zette hij ergens weg in zijn hut, om er op een bepaald moment achter te komen dat de slang foetsie was. Iedereen aan boord op tilt, niemand durfde meer te kooi voordat het serpent gevonden was. Er werd een gezamenlijke zoekactie op touw gezet, met als resultaat dat de slang werd gevonden tussen een stapeltje ketelpakken in de hut van de amateur slangenbezweerder. De moedigste onder de speurders durfde het reptiel beet te pakken en leerde het binnen de kortste keren zwemmen in de Golf van Bengalen. Iedereen blij, maar vooral opgelucht.

Beurse billen
In Suez gingen de sparks, de 4e stuurman en ik de wal op om wat van de stad te zien. Nog maar nauwelijks van boord, werden we omsingeld door een twintigtal 'gidsen' en om van dit opdringerig zootje ongeregeld verlost te zijn pikten we er een uit, waarna de anderen ons als dank prompt met stenen bekogelden. Dat een toevallig in de buurt zijnde politieagent ons uit die benarde situatie redde, nam niet weg dat de aardigheid om Suez in te gaan er meteen af. Dat we na wat omzwervingen in een leuke tent terechtkwamen waar een Egyptische buikdanseres haar kunsten vertoonde, was uiteindelijk nog meegenomen. Toch nog een stukje Miden-Oost 'cultuur' meegepikt.

Gekookte soepjurk
Gelukkig was de lading er in Suez snel uit en werd meteen daarna opgestoomd naar Port Soedan, waar me een - letterlijk - zeer pijnlijke verrassing wachtte. Tijdens het uitpompen van de lading, had ik op mijn wacht even tijd gevonden om een erg vuil geworden ketelpak uit te koken in een emmer water dat aan de kook werd gehouden door de stoomaftap van een ketelwatervoedingpomp. Na een poosje vond ik dat die soepjurk genoeg had geprutteld en trok de emmer onder de aftap vandaan. Het gevolg was rampzalig. De emmer kieperde om, en het kokende water spoelde over mijn linkerbeen! Gelukkig had ik de tegenwoordigheid van geest als een speer naar de ijswaterkraan van de koelcel te rennen waar een straal ijswater ervoor zorgde dat mijn onderbeen er redelijk goed vanaf kwam, maar mijn voet was er beroerder aan toe. Binnen een paar minuten was die twee keer zo dik door blaarvorming. Terwijl de pijn ondraaglijk kwam opzetten, hinkte ik naar mijn hut waar de inmiddels gewaarschuwde 1e stuurman weinig anders wist te doen dan wat opbeurende woorden te spreken, maar me voor de rest gewoon pijn liet lijden. Zo niet de 2e wtk. Deze meende een probaat middel te weten om me een beetje uit mijn lijden te helpen. Hij schonk een drinkglas vol met jenever, en met een: “Vooruit, in een keer opzuipen”, duwde hij het glas in mijn hand. Het paardemiddel van de second hielp prima. In no time had ik een snee in mijn neus en raakte ik in een roes van veel leut en aanmerkelijk minder pijn. Maar helaas, de leut verdween en de pijn werd daarna alleen maar erger.

Pas de volgende ochtend kwam er een dokter om de brandwonden te behandelen. Blaren wegknippen en been en voet zalven en verbinden. Een dag later en weer op zee, was ik overgeleverd aan de medische kunsten van de 1e stuurman. Dat de behandeling van de brandwonden (plus wat er bijkwam) door de papieren dokter in niets te vergelijken was met professionele verpleging aan de wal, kan ik misschien het best beschrijven door letterlijk een gedeelte van een bewaard gebleven brief weer te geven die ik eens naar huis stuurde. Ook leuk om op die manier te lezen hoe ik vijfenveertig jaar geleden mijn belevenissen aan boord voor thuis beschreef. Vanwege mijn uitleg omtrent steeds veranderende vaarorders, is het begin van de brief een beetje verwarrend en daarom pak ik de draad van mijn ontboezemingen op, op het moment dat we na Djibouti (waar we na Port Sudan heen gingen) al weer een paar dagen op zee zaten. Richting Fao aan de Perzische Golf.

a/b Tibia 28-11-54
Beste allemaal,

Maar even iets van me laten horen. Alhoewel nog steeds opgelegd (door die verbrande poot), ben ik evenwel gelukkig nog lang niet rijp voor de sloop.

In Djibouti zou er nog even een dokter aan boord komen, maar dat ging niet door. Bijgevolg was ik genoodzaakt zélf naar het hospitaal te gaan, en met een hoop pijn, weinig moeite en onder grote belangstelling van een stelletje eerbiedige negers, werd ik in een auto gekiepeld die me naar het ziekenhuis bracht. Daar werd ik hartelijk welkom geheten door een allerliefst Frans zustertje en een dokter van dezelfde nationaliteit. Ik kreeg nauwelijks de tijd om dit welkom te beantwoorden, want die twee begonnen me meteen te villen. Resultaat: na een minuut of twintig zat er geen stukje vel meer op mijn voet, die er zo prachtig mooi uitzag. Hoe dan ook, met een zachte hand en een boel franse woorden, waarvan ik alleen maar het steeds vriendelijke 'Ca va' van het zustertje opving, werden vervolgens de wonden gedesinfecteerd en omzwachteld met kilometers verband. Daarna werd ik meteen weer naar boord teruggebracht. Dat verband gaat er in Fao af, en ik denk dat de wonden dan al een heel stuk genezen zullen zijn. Vervolgens misschien nog een weekje bijtrekken en dan de vetloods maar weer in. Zo wordt het dan toch nog een kwestie van drie weken niks doen, wat eigenlijk ook niet te verwonderen is, want het is een behoorlijke tweedegraads verbranding.

Op voorschrift van de dokter in Djibouti, krijg ik elke dag een penicillineinjectie van 2 cc. Morgen nog, dan is dat ook weer gebeurd. Iedere dag is dat toedienen van de penicilline een heel ritueel en ik denk dat de 1e stuurman nog blijer zal zijn dan ik als het voorbij is. Want in de volgende regels zal ik trachten een beschrijving te geven wat een marteling het vooral voor hem is. Je moet namelijk weten, de stuurman is niet zo handig in het in praktijk brengen van zijn medisch kunnen. Als hij mijn hut binnenkomt begint hij al met te zeggen: 'Zo, we gaan het maar weer eens proberen', waarna hij begint met het in gereedheid brengen van de injectiespullen. Collega's die op dat moment in mijn hut zitten voor een praatje, slaan in het begin de manipulaties van de stuurman met sadistisch genoegen gade, mij ondertussen opbeurend met opmerkingen zoals 'Misschien prikt hij deze keer wel vier keer mis', en 'Wat jammer dat deze voorstelling maar één keer per dag gebeurt'. Maar uiteindelijk kunnen ze het gemartel niet langer aanzien en retireren ze met: 'Nou, je stuurt zeker wel even een kaartje als je daarboven mocht aankomen'. En onderwijl lig ik maar te hopen: misschien lukt het vandaag wel bij de eerste keer. Wat steeds ijdele hoop is, want als die spuit eenmaal in mijn bil zit en ik verder rustig afwacht, hoor ik al dan niet gemompelde gvd's achter me. En weet ik weer hoe laat het is. Zit de naald weer verstopt. Enfin, na een keer of drie prikken zit de penicilline erin en is de stuurman nog meer opgelucht dan ik. Omdat hij elke keer in dezelfde bil prikt, die aardig beurs begint te worden, heb ik na een paar dagen maar gevraagd die andere bil ook es te pakken. Ja, ja, zo maak je van alles mee op zee. Op zachtzinnigheid hoeft een zeeman niet te rekenen. Het valt trouwens niet mee, de hele dag op je kanis liggen. Ik kan wel wat rondhinken, maar absolute rust is voorschrift en daar hou ik me maar aan. Je kunt in de tropen niet voorzichtig genoeg zijn met wonden. Of ze zijn na een normale periode genezen, of je blijft ermee sukkelen. Maar genoeg over die poot. In Fao zal een dokter het verband eraf halen en dan zien we wel weer verder.

Van de sparks hoorde ik dat het bij jullie in Holland nogal rotweer is. Er vroegen veel schepen om hulp. En wat te zeggen van die 20.000 tons tanker die doormidden brak. Gelukkig de mensen die net op het achterschip zaten, die zullen tenminste nog wat te eten hebben gehad. Ik weet nog best toen we met de Tibia in de Abel Tasman Zee zaten. Namen we een paaltje en zagen we de volgende morgen dat er grote scheuren in de pompkamer, tankschotten en de loopbrug zaten.

We zitten inmiddels in de Perzische Golf en zouden oorspronkelijk vanavond in Fao aankomen, maar door narigheid in de machinekamer zal daar nog wel een dag bijkomen. Vanaf vanmorgen negen uur liggen we al te drijven, omdat er een brandstofpomp in elkaar rotte en toen dat gefikst was en die kar weer werd gestart, stuikte er iets in elkaar wat nog veel erger was. Het is nu zeven uur in de avond en dus zijn die jongens in de machinekamer al zo'n tien uur achter elkaar bezig. Zullen hun lol wel opkunnen. En zoiets moet dan juist in de PG gebeuren. Sjappelen tot het zweet in je schoenen klotst en je op het laatst staat te trillen op je benen. Gevraagd worden of je nog wel kan, is er niet bij. Dan moet je er eerst bij neervallen. Die boot moet weer varen en hoe je dat fikst, dat komt er niet op aan.

Waarschijnlijk morgen dus in Fao. De wonden van mijn been beginnen al flink te jeuken. Een goed teken, zullen we maar denken. Maar es horen wat die pil zegt wanneer ik weer aan het werk kan, want de hele dag in je kooi ronddouwen is ook niks. Ik hinkel zo nu en dan maar es van de een naar de ander voor een praatje. Ik heb geloof ik nog niet geschreven dat we na Fao eerst ook nog naar Rastanura gaan en vandaar naar Pladju, waar we misschien net wel zo'n beetje tegen de kerstdagen zullen aankomen. En misschien wel binnenliggen, wat niet gek zou zijn. Voor die tijd zullen jullie wel geen post meer van me krijgen, want om vanuit Rastanura nog wat te versturen, is de moeite niet. In ieder geval een prettige kerst en wie weet, ben ik er met een beetje geluk volgend jaar ook weer bij. En o ja, denk de komende kerstdagen ook even aan al die andere kerels op zee voor wie die dagen eigenlijk precies eender zijn dan alle gewone doordeweekse dagen. Met alleen dit verschil, dat er tijdens de kerstdagen een beetje variatie in het dagelijkse menu op tafel komt. Nou, de hartelijke groeten aan iedereen en een stevige poot van Henk!

De brief is veel langer, maar de niet aangeroerde onderwerpen gaan voornamelijk over het zieleleven van een zeeman die hij, zeker na zovele jaren, niet graag bloot geeft. En wat die variatie op het menu tijdens de kerstdagen betreft, voor ons kwam die zuurkoolprak op tafel waar ik eerder al eens over vertelde.

Om vanuit de Perzische Golf Fao te bereiken - waar bovenstaande brief werd gepost - moest eerst een eind de rivier de Euphraat opgevaren worden, de rivier die stroomt door wat eens het paradijs was. Het was half december, en hoewel het overdag heet was, waren de nachten flink koud. Het deed me eraan denken dat het voor Adam en Eva toch behoorlijk fris moet zijn geweest met alleen een vijgeblaadje voor. Ik weet niet hoe ze zich voelden toen ze uit het, overigens mooi groen begroeide Hof van Eden werden geknikkerd, aan boord vonden we het in ieder geval niet erg dat we het achter ons konden laten en via Rastanura koerszetten naar Pladju.

Een amok makende Chinees
Op de Indische Oceaan kregen we gruwelijk slecht weer te verduren. Golven van wel negen, tien meter hoog probeerden de Tibia klein te krijgen. Een paar dagen flink afzien dus, maar we bleven de elementen zonder al te veel problemen de baas. Wie we ook de baas bleven, of beter gezegd, wie we moesten overmeesteren, was een amok makende Chinees. We voeren in Straat Malakka, toen die spleetoog compleet over zijn toeren raakte en lustig met een mes op zijn maten inhakte. Het werd een waar slagveld, waar veel bloed bij vloeide en het kostte de nodige moeite om de messentrekker achter slot en grendel te krijgen. Het verhaal ging, dat hij in de achterliggende haven Rastanura een miskleun had gemaakt met een opiumdeal en dat hij zich daarmee de gramschap van de andere Chinezen op zijn hals had gehaald. Wat zover ging, dat hun pesterijen hem tot razernij brachten. Van onderlinge twisten tussen Chinezen kreeg je echter nooit het ware te weten, dus kan het ook best zo zijn geweest dat de messentrekker heel andere redenen heeft gehad om om zich heen te maaien. Het kwam wel voor dat op zee plotseling een Chinees verdween. Alleen zijn slippers stonden dan nog aan de reling en bij navraag omtrent de reden van zo een geval van man overboord, bleek de hele Chinese crew een slot op de bek te hebben: “Me no sabbie”.

Het bloederig optreden van de amok makende Chinees had trouwens tot gevolg dat we Singapore moesten aanlopen om hem van boord te zetten. Er kwam een klein bootje met politie aan boord langzij om hem in te rekenen, en ik was zeer verrast dat met dit bootje ook mijn vermiste hutkoffer meekwam. Onbeschadigd, met alles er nog in!

Zoals gehoopt, lagen we Kerstmis 1954 in Pladju voor de kant. Helaas werden het verre van prettige kerstdagen. Het waren de feestdagen waarover ik eerder vertelde dat ze verziekt werden doordat er in de machinekamer reparatiewerk verricht moest worden, er niets aan boord was om ons een feestdis voor te zetten en er - en dat was nog het ergste - geen post van thuis was.

Na Pladju terug naar Singapore, waar proviand werd ingeslagen. Het was 31 december en de dag erna, op nieuwjaarsdag, kwam er toch nog een verlaat kerstdiner op tafel. Een smakelijk goedmakertje, compleet met de traditionele stuffed turkey en allerlei andere delicatessen. Om alle droefenis van een wekenlange, niet zo prettige reis in vrolijkheid om te zetten, werd al dit heerlijks overgoten met vloeibare lekkernijen, terwijl de opgewekte stemming nog eens extra werd gevoed door de wetenschap dat we inmiddels op weg waren naar Auckland in Nieuw Zeeland, een heel wat prettiger bestemming dan de havens aan de Rode Zee en die vermaledijde Perzische Golf.

Een nachtje vreemdgaan
Op 7 januari 1955 werd bij Thursday Island de loods aan boord genomen om de Tibia door het Groot Barrièrre rif te loodsen en tien dagen later, op 17 januari, kwamen we in Auckland aan. Het was een normale reis geweest. In de machinekamer hadden we bij tijd en wijle veel plezier gehad om een aapje dat door de Chinezen aan boord was gesmokkeld. Ze hadden een mooie pet voor 'Kees' gemaakt, eentje met een hele grote klep, en het leek wel of dat beest apetrots op dat hoofddeksel was. Fier om zich heen kijkend, zat hij ons regelmatig in de top van de machinekamer te bekoekeloeren, op het laatst met zijn hoofd helemaal achterover om onder de veel te zware klep door te kunnen kijken. Om de een of andere reden had Kees de pest aan de 2e wtk, want, toeval of niet, als de second de machinekamer binnenkwam zat die aap bovenop een stoomleiding en piste hem prompt op zijn kop. Helaas liet onze scheepsaap zich na een bepaalde dag niet meer zien. Het was ons wel opgevallen dat een wondje aan zijn poot steeds groter werd, maar we konden ons niet voorstellen dat hij daardoor de geest had gegeven. Helaas was dat wel het geval, maar de ware reden kwamen we niet aan de weet. Navraag bij de Chinezen leverde alleen maar op: “Oh, diszie one monkey makie swim now”. Gewoon doodgegaan of hadden ze hem een ongewild zeemansgraf gegeven? Van die pindamannen kreeg je toch geen hoogte.

Na de passage van het Groot Barriere Rif, hadden we tot grote droefenis van de leerling wtk, voor het gemak Flip genoemd, in de Abel Tasman Zee flink rotweer gehad. Flip maakte zijn eerste reis en hij had het vreselijk te kwaad. Hij zag groen en geel van de zeeziekte. We hadden geprobeerd hem nog wat op te beuren met verhalen over lekker gebakken spek en andere maagstorende kost, maar deze morele steun had hij maar matig op prijs gesteld. In de machinekamer hadden we bordjes opgehangen met teksten als: 'Flip, richting bilge'. Een schuine pijl naar beneden wees hem de weg waar hij zijn maag mocht legen. En ook: 'Voorrang verlenen aan Flip ingeval hij rare gezichten trekt'. Dat laatste als waarschuwing voor anderen als zijn gelaatstrekken op kotsen wezen. De arme hals kreeg door deze scheepshumor heel wat te verduren. Ook het advies om maar over de muur te springen als hij het helemaal niet meer zag zitten, was niet erg gevoelig. Maar ja, zo ging dat. Het doet me denken aan mijn eigen eerste reis. Ik hoef er niet aan te herinneren wat ik toen zelf moest doorstaan.

Drie rondjes om de mast?
De zeeziekte van de leerling was na een dag of wat verdwenen, maar een aantal dagen eerder ging dat niet op voor een zieke Chinees. Wat hem mankeerde wist niemand, maar zijn ziektebeeld wees erop, dat er weldra een rondje om de mast met hem gemaakt moest worden. Misschien (en hopelijk) is het zijn geluk geweest, dat hij bij Thursday Island met de loodsboot mee kon om aan de wal behandeld te worden.

In Auckland werd 9.000 ton lading gelost, de rest ging eruit in Wellington. Allebei mooie havens om te sightseeën en de mogelijkheid om, net als in Australië, een 'nurseparty' te organiseren. Ook kocht ik in Auckland en Wellington lepeltjes met het stadswapen. Ik deed dat in meerdere havens en had inmiddels al een aardige verzameling.

Na Nieuw Zeeland weer een twintigtal dagen op zee, bestemming Pulu Sambu, en tijdens deze dagen staken geruchten de kop op dat de Tibia de ladingtanks in gereedheid diende te brengen om parafine, bestemd voor Europa, in te nemen. De geruchten kregen vaste vorm en toen de sparks Rotterdam als eindbestemming uit zijn spreeuwenkast plukte, ontstond er een euforische stemming. Met in het vooruitzicht over een achttal weken dierbaren weer even te zien, hoef ik niet te vertellen dat ik in deze stemming deelde. Een bijna niet te geloven mazzeltje. Maar helaas, twee dagen voor Pulu Sambu, kwam er een telegram dat ik in Singapore overgeplaatst zou worden. Shit, shit, shit!

Pulu Sambu werd op 11 februari bereikt. De lading ging eruit en op 13 februari werd op de rede van Singapore ten anker gegaan om de 2e en 4e stuurman, Flip de leerling en mij af te zetten. De eerste drie werden ook overgeplaatst om, evenals ik, vervangen te worden door collega's die na aankomst van de Tibia in Rotterdam met verlof gingen. De mazzelkonten.

Met fijne collega's, gedeelde aanvallen van tankeritis, regelmatig machinepech met als tol hard werken en veel zweten, vreemde avonturen met een paar Chinezen, de een mata klap en de ander half dood, was de Tibia geen saaie boot geweest. Waarbij in dit rijtje ook nog thuishoort het gestuntel van een klungelige papieren dokter die mijn billen beurs prikte. 'k Wil wedden dat hij ze met meer gevoel had behandeld als ik niet een zeemàn, maar een zeevròuw was geweest! Geen thuisreis met de Tibia, maar, in afwachting op welke boot ik geplaatst zou worden, wel weer een paar dagen in het Marine Hostel. Tussentijdse navraag leerde, dat ik voorbestemd was dienst te gaan doen op het s.s. Rita, een 4.000 tons trunkdekschip, dat zijn meeste jaren als CSM-tanker al had gesleten in de vaart tussen Curaçao en het meer van Maracaïbo. Misschien kan ik beter zeggen versleten, maar het schip werd nog goed genoeg bevonden om als olieboer in de Oost te varen.

Gedwongen uit mijn dak...
Voordat ik op de Rita scheep ging, had ik vijf dagen om van het walleven in Singapore te genieten. Overdag met een drietal Engelse en Nieuw-Zeelandse zeelui een beetje de stad doorkruisen, een bezoek aan de Tigerbalm Garden en vele uren doorbrengen in een zwembad. 's Avonds lekker rijstpikken in Boogie Street, ergens op een terras een pilsje pakken, mensjekijken en het drukke verkeer van het verlichte Singapore gadeslaan waar taxichauffeurs als kamikazepiloten doorheen scheurden. Zeer ingetogen vermaak dus. Maar, op de voorlaatste avond dat ik naar zee moest, deed zich een toeval voor waardoor ik wel 'gedwongen' werd weer even ouderwets uit mijn dak te gaan. Want, totaal niet van elkaar wetend waar we zaten of op welke boot we voeren, stond ineens Peter Ester voor me. Zijn schip lag met ketelproblemen voor Singapore ten anker en hij had 'geroken' dat ik ergens in de buurt moest zijn. Meer voor de hand ligt is natuurlijk, dat hij mijn verblijf in Singapore op een andere manier aan de weet was gekomen, maar feit blijft, dat hij een watertaxi charterde die hem naar de wal bracht om mij te zoeken. En waar, zo dacht hij, had hij de grootste kans Kramat te vinden? In 'Airview' natuurlijk. Door onze eerder beleefde avonturen in Singapore, was hij er van overtuigd dat hij me hier kon tegenkomen. Bingo, want met in het vooruitzicht misschien maandenlang niet in Singapore te komen, was ik Airviewwaarts getogen voor wat vermaak. Behalve dat we ons weerzien uitbundig vierden, leidde de tijdelijke hereniging ook tot de snurkpartij waarover ik beloofde te vertellen na onze 'vermissing' op de Cistula toen we in de doucheruimte in onze blote tida adah in slaap waren gevallen. Belofte maakt schuld, dus hier het verhaal over hoe we voor de tweede keer in (bijna) ons 'werkpak' naast elkaar in Morpheus armen terechtkwamen. (Ingewijden weten wat ik met werkpak bedoel: in Adamskostuum).

Nadat in Airview het 'God saves the Queen' had geklonken en we de omzet van de Carlsbergbrouwerij flink hadden helpen opkrikken, bleek het voor Peter te laat om nog een sampan bereid te vinden die hem naar boord terug wilde brengen. “Dan kruip je toch bij mij onder de klamboe”, was mijn oplossing. Dus samen richting Marine Hostel. Door de toestand waarin we verkeerden meenden we het hotel zeer omzichtig te moeten benaderen om de portier om de tuin leiden en Peter ongezien binnen te smokkelen. Geheel overbodig, want we liepen toch wel in de gaten, en waarschijnlijk zal die Hendrik wel hebben gedacht, weer een paar van die zeelui die het nodige aan Bachus hebben geofferd. Eenmaal op mijn kamer doken we, alleen met ons pendekkie aan, de koffer in. Voor de goede orde, een eenpersoons bed. Erg krap dus, maar dat belette ons niet om meteen zwaar te gaan ronken. Nou moet ik er nog bij vertellen, dat ik mijn kamer deelde met een Zweedse zeeman. 's Ochtends zaten we voor het ontbijt aan de dezelfde tafel en, als het zo uitkwam, maakten we overdag aan de bar of in de lounge een praatje. Maar toen ik na de 'nacht met Peter' (Peter was in alle vroegte naar boord teruggegaan) naar onze vaste tafel ging voor het ontbijt, kwam de Zweed niet meer bij me zitten. Hij nam plaats aan een tafel ver bij me vandaan en gedurende de rest van mijn verblijf in het hotel meed hij me als de pest. Ik snapte er geen fluit van. Totdat ik niets anders wist te bedenken, dan dat hij natuurlijk dacht dat ik een nicht was en misschien wel bang was voor ongewilde avances van mij kant als hij onder zijn klamboe lag. Op zich begrijpelijk, je zal maar meemaken dat je kamergenoot midden in de nacht in een jolige bui met een vent binnenkomt en zien dat die twee, op een penddekkie na, in een eenpersoonsbed duiken. Later, tijdens een samenvallend verlof, heb ik Peter de nasleep van ons bedavontuur kunnen vertellen. Lachen geblazen natuurlijk. Samen met onze wederhelften (we waren inmiddels getrouwd), want zij zagen de lol ook wel in van ons nachtje 'vreemdgaan'.


Na vijf dagen ingetogen walvermaak (op die ene avond met Peter na dan), stapte ik 18 februari 1955 aan boord van de Rita. Ondanks dat dit schip door onder meer een vrij schamele accommodatie in de verste verte geen aanspraak kon maken op het predikaat luxe jacht, lag er met varen op deze boot toch een prettige tijd voor me. Ook waren de reizen, enkele uitzonderingen daargelaten, nogal eentonig. Hoofdzakelijk pendelen tussen Pladju, Pulu Sambu, Pulu Bukom, Djakarta, Surabaya, Penang, Telok Anson aan de kust van Malakka en een aantal andere plaatsen in de Oost. De uitzonderingen bestonden uit een paar reizen naar Bangkok en een vrij lange tijd dokken in Hong Kong. Wat ook niet prettig was, was de politieke onrust in Indonesië. De tijden van Nederlands-Indië waren voorgoed voorbij. Soekarno had in 1949 het koloniale juk afgeschud en dat leidde er in de beginjaren toe, dat vooral jonge Indonesiërs zich nogal onhebbelijk tegenover de 'toean blanda's'', de Hollanders, gedroegen. Vooral in grote steden als Surabaya en Djakarta. Daar de wal opgaan bracht risico's mee, die varieerden van onvriendelijk bejegend worden, tot een mes tussen je ribben kunnen krijgen. Maar ondanks de minder leuke kanten, was varen tussen de 13.000 eilanden van Indonesië een fantastische ervaring die moeilijk onder woorden is te brengen. Zelfs de meest begaafde schrijvers zijn niet of nauwelijks in staat om met hun prozaïsch talent een beschrijving te geven van wat wel het mooiste land van de wereld wordt genoemd, en dus zal ìk zeker tekort schieten met een poging daartoe. Het ondergaan van de ondefinieerbare gevoelens die loskomen bij het doorkruisen van de 5.000 km lange Gordel van Smaragd met zijn machtig mooie bergen en zijn altijd groene bossen en sawa's, gebeurt alleen als je er bent. Dan ook ruik je de geur van de tropisch-vochtige warmte die zich als een deken over de eilanden vleit. Overdag misschien wel eens te warm, maar als de zon onder is en je ergens, ver van stadsgeweld, in een kampong de geur van houtskoolvuurtjes ruikt en een sateh'tje etend de mildere temperatuur van de tropenavond voelt, dan wordt de hitte van de dag vergeten. Herinneringen oproepend aan mijn vaarperiode in de Oost, denk ik bijvoorbeeld aan Pladju, waar de Rita menig keer aangelegde om lading in te nemen. 's Avonds de wal op om eerst wat rond te banjeren in de kampong en dan neerstrijken op het terras van de soos van de Hollandse club. Het terras stak een eindje boven de Pladjukali uit en je hoorde het geluid van het rivierwater onder je doorstromen. Het was dan alsof alleen al dit geluid wat koelte gaf. Maar vaak ook stond er een zacht briesje met windvlaagjes die voor echte verkoeling zorgden. Lekker uitgezakt, de benen op de balustrade en een drankje onder handbereik, was het puur genieten van de tropenavond. Elk moment zag je wel een tjitjak bliksemsnel langs en wand of een muurtje flitsen, om daarna minutenlang onbeweeglijk te blijven zitten. De tokèh liet zich meermalen horen en als zijn 'tokèh-tokèh' zeven maal achter elkaar de tropenavond vulde, mocht je een wens doen. “Gauw afgelost worden”, dacht ik dan snel. In het begin deed ik deze wens natuurlijk tegen beter weten in, maar naarmate de maanden verstreken, kon je maar nooit weten.

Ontlokten mijn herinneringen aan Pladju bovenstaande ontboezemingen, ook de vele andere plaatsen waar ik in de Oost ben geweest straalden die sfeer uit. De gevoelens die daarbij werden opgeroepen, hebben gemaakt dat ik fantastische herinneringen bewaar aan mijn vaartijd in Indonesië. Dat het varen in de bijna altijd rimpelloze wateren inhield dat er geen zuchtje wind stond en dat de koperen ploert altijd vrijspel op het schip had waardoor het in je hut en in de machinekamer altijd ondraaglijk heet was, doet daar niets vanaf.

Een kapotje en een kokertje op de wind
Niet alleen de uitstraling van Indonesië, ook de belevenissen aan boord en tijdens de walbezoeken hebben ertoe bijgedragen dat ik nog steeds met ontzettend veel plezier terugdenk aan de tijd op de Rita. Zoals ik al zei, er werd veel gependeld tussen verschillende plaatsen. Maar wat een verschil met de pendeldienst tussen Curaçao en het Meer van Maracaïbo. Bood varen naar het Meer geen enkele plaats waar je naar uitkeek om de wal op te gaan, in de Oost was dat totaal anders. Daar ergens voor een paar uurtjes het schip de rug toekeren, betekende altijd een aangenaam verzetje. In Penang bijvoorbeeld, waar je met een kabelbaantram hoog de bergen in ging waar het heerlijk koel was. In Telok Anson aan de Perakrivier op Malakka, kwam regelmatig een Engelse dokter even aanwippen voor een praatje en een borreltje. Hij was bevriend met een rubberplanter en regelde bezoeken aan diens plantage. Niet alleen erg interessant, maar ook beregezellig. Pilsje drinken op de veranda van het plantershuis en luisteren naar de tropenverhalen van een door de wol geverfde Engelse koloniaal. Alle verhalen in the English style: “Good sport, old chap”, en: “Don't kick my dog”.


Denk ik aan Telok Anson, dan denk ik ook aan een kapotje. (?) Inderdaad, vreemd en een beetje raar misschien. Maar geen verkeerde conclusies trekken. Ik was in genoemd dorp (meer was Telok Anson niet) de wal opgegaan voor wat boodschapjes en ging daarna in een plantsoentje op een bankje zitten om wat om me heen te kijken en een paar aapjes gade te slaan die daar ronddarden. Om die aapjes dichterbij te lokken, stak ik mijn hand uit en deed alsof ik iets lekkers voor ze had. Had ik niet moeten doen. Want toen ze merkten dat er niets in die hand zat, beet een van die apen zo venijnig in mijn duim, dat er een flinke wond ontstond. Met een zakdoek als lapje voor het bloeden keerde ik terug naar boord, waar de eerste stuurman een echt verband aanlegde. Hij deed prima werk, mijn duim zag er keurig uit. Maar voor hoe lang, want door het transpireren in de machinekamer zou zijn medisch kunststukje gauw doorweekt zijn en bovendien vies worden door het aanraken van vette machinedelen. De chief voorzag dit probleem en kwam met een niet alledaagse, doch absoluut afdoende oplossing. Zeer bedreven (ervaring?) ontrolde hij een condoom over mijn omzwachtelde duim, die er zo nog mooier uitzag. Alleen dat flubbertuitje er bovenop was geen gezicht. Ik liep erbij als een levende reclame voor veilig vrijen en dat ik met het openlijk tonen van zoiets heimelijks als een condoom (het was 1955!) aanleiding gaf tot smeuïg en pikant commentaar, hoef ik niet te vertellen. Maar net als toen ik indertijd met die tulband op mijn kop reden tot hilariteit gaf, liet ik ook nu alle snaakse opmerkingen maar over mijn kant gaan. Deed er zelfs dapper aan mee.

Het aap-duim-kapotje verhaal kwam bij me op door zomaar wat belevenissen tijdens de veelvuldige reizen naar Telok Anson door mijn geest te laten dwalen. Het speelde zich af nadat ik reeds geruime tijd in de Oost van de ene plek naar de andere voer, maar voor die tijd was er ook wel het een en ander de revue gepasseerd dat gedenkwaardig genoeg is om even bij stil te staan. Zo kwam er een zestal weken nadat ik voet aan boord zette van de Rita (om precies te zijn op 1 april 1955), een aflostelegram voor de 4e wtk, met voor mij de mededeling dat ik zijn plaats moest innemen. Eindelijk dan de zo lang begeerde promotie. Kon ik eindelijk eens een punt zetten achter mijn gekanker (dat deed ik inmiddels zeer uitgebreid) over mijn nog steeds 5e wtk zijn, waar ik zo langzamerhand stierlijk van baalde. Het was geen 1aprilmop, want 8 april kon ik in Pladju mijn schouderepauletten sieren met een brede gouden bies. Nu niet als een tijdelijke aanduiding van mijn plaats in de rangorde aan boord, maar voorgoed. Het wachten was nu op een volgende bevordering, maar vooralsnog was dat niet aan de orde. Voorlopig was er met de promotie tot 4e wtk alle reden om een feestje te bouwen. Met degenen die van boord konden, werd dit uitbundig gevierd in de soos in Pladju, waar lekkere hapjes, inclusief heerlijke kikkerbilletjes, rijkelijk overgoten werden met de nodige gele rakkers en zelfs met champagne. Vooral door het ontkurken van champagne een kostbare zaak zou je denken, maar dat viel heel erg mee. Er hoefde niet echt diep voor in de buidel getast te worden, wat voor een heleboel dingen gold. Het toverwoord om voor weinig geld inkopen te doen en plezier te hebben: sigaretten! Je verkocht een paar sloffen aan inlandse zwarthandelaren, die er in roepia's een veelvoud voor betaalden dan ze aan boord belastingvrij hadden gekost. En hoewel de geldontwaarding in Indonesië gigantische vormen had aangenomen, kon je niettemin met weinig roepia's veel doen. Vandaar dus dat ik op mijn promotiefeestje gemakkelijk kon doen alsof ik paardje schijtgeld was.

Leer een oedang zwemmen
Behalve sigaretten omzetten in roepia's, werden ze ook gebruikt als ruilmiddel. In ruil voor een paar saffies kon je bijvoorbeeld heerlijk tropisch fruit eten waarmee inlanders in hun sampan langszij kwamen. (Onder andere ook doerians, die door hun stekelige schil door ons sergeantekloten werden genoemd). Of een verrukkelijke smulpartij organiseren als je bij Pajong in de Pladjukali ten anker ging om op hoog water te wachten. Altijd kwamen daar vissers in hun gammele bootjes langszij met oedangs. In ruil voor een paar pakjes sigaretten, werd een mand vol van deze grote Indonesische garnalen aan boord gehesen, die meteen richting kombuis gingen om door de kok klaargemaakt te worden. Hoe genoeglijk zaten we dan onder de zonnetent van het sloependek gastronomisch te genieten. Gedoopt in een heerlijk sausje, verdwenen de oedangs een voor een achter de knopen. Pilsje erbij om ze te laten zwemmen.

Drinkend rijk worden...
Gaven taxfree sigaretten de mogelijkheid tot een aangenaam leven in de Oost, met aan boord gekocht belastingvrij bier kon je rijk worden. Althans... Grapje dus. Maar ergens was het wel zo, hoe meer je dronk, hoe meer je verdiende. Want de inlanders kochten graag de lege flesjes om er drinkglazen van te maken en ze gaven voor de lege flesjes meer roepia's dan wij er aan boord vol voor hadden betaald.

Waar ik ook met heel veel plezier aan terug denk, is de prettige omgang met de collega's op de Rita. Dag aan dag, week aan week en maand aan maand, zat ik met hen op een ouwe rotpraam waarvoor vaak de handen uit mouwen moesten om het varende te houden. Dat de accommodatie bedroevend was, vertelde ik al. Alleen gescheiden door een stalen beplating waarop een dun tapijtje lag, lagen de hutten van het machinekamerpersoneel en een paar stuurlui boven de vetloods, dus weinig uitnodigend om er lang in te vertoeven vanwege de temperatuur die er heerste. Windhapper noch hutventilator hielpen om het verblijf wat aangenamer te maken. En aan kakkerlakken geen gebrek. Vaak werd je wakker doordat ze over je lijf liepen of aan de nagelriemen van je teennagels zaten te knagen. Maar ondanks deze ongemakken was de sfeer prima en kon ik met iedereen goed opschieten. Allen herinner ik me nog met naam en toenaam. Maar van de twee hoofdwtk's die ik op de Rita heb meegemaakt, staat de laatste baas me nog het duidelijkst voor de geest. Had ik de pompwacht, dan vroeg hij me vaak om even in zijn hut te komen voor een praatje: “De pompman regelt het wel in de pompkamer en de olieman houdt het beneden wel in de gaten”. Lagen we 's avonds ergens binnen, dan was het vaak: “Ga jij de wal maar op, ik hou die vetloods wel in de gaten”. Een prachtkerel, een zeeman van de oude stempel, altijd kalm en bedaard, hij maakte zich nergens druk om. Een beetje het machinekamerjournaal bijhouden, en voor de rest vermaakte hij zich met zijn dagelijkse afspraakjes met Blankenheym en Nolet. Vrijwel altijd in zijn eentje. We kenden hem niet anders. Toen hij dan ook op een gegeven dag deze gewoonte doorbrak en bij iedereen even ging buurten voor een borreltje, kwam dat vreemd over. Totdat de sparks wist te vertellen, dat zijn vrouw ging meevaren, en dat was voor ons aanleiding om er vanuit te gaan dat zij de kurk wel op de fles zou houden en dat de baas zich bij ons alvast indekte om verzekerd te zijn van een 'huisje van houdt aan' waar altijd wel een neut voor hem klaarstond.

In Surabaya kwam moeders aan boord en iedereen werd uitgenodigd om de hereniging van de twee 'oudjes' luister bij te zetten. Niet alleen toen, maar ook later werd het ons maar al te duidelijk dat de baas zich voor niets zorgen had gemaakt over zijn dagelijkse vloeibare opkikkertjes, want zijn levensgezellin spuugde er ook niet in. Overigens wel in het redelijke.

Kokertje op de wind
Was indertijd op de Cistula de kapiteinsvrouw een verschrikkelijk aardig mens, de echtgenote van de baas op de Rita deed zeker niet voor haar onder. Ze was zeer met ons begaan en vooral aan de jongeren leende ze een gewillig oor als 'thuis' eens al te erg werd gemist. Ging ze de wal op, dan nam ze voor iedereen snoepjes mee en iemands verjaardag ging niet aan haar voorbij zonder dat ze een aardigheidje voor de jarige had. Ook voor deze zeemansvrouw ging het gezegde 'vrouwen en kip is de pest op een schip' niet op. Alleen jammer dat het meevaren voor haarzelf niet altijd meeviel. Ze was nogal klein van stuk en flink gezet, en als het dan zo bloedverziekend heet was, had ze het vreselijk moeilijk. Meestal kon ze niet slapen van de warmte en verliet ze haar hut om aan dek wat koelte te vangen van het beetje wind dat het schip door zijn eigen snelheid maakte. Ging ik tijdens mijn wacht ook even aan dek om een 'blasie' te pikken, dan zag ik haar zitten: Op een klapstoeltje, het zweet met een handdoek wegvegend, de knieën wijd gespreid en de zoom van haar rok hoog opgetild. Kwam ik naast haar staan, dan zei ze steevast: “Ja meester, kokertje op de wind. Zo is het tenminste nog een béétje uit te houden”.

Inhoudsopgave