Tot zover de verhalen omtrent mijn belevenissen met de Rufina zoals ik ze aan Jan Aartsen schreef en terugdenkend aan de welkom-thuis-groet van Chris, die, ondanks dat hij me meneer noemde, niettemin in zijn eigen wereldje maar liefst drie vaders had, namelijk één op een foto die thuis op het dressoir stond, één die centjes verdiende en één die op een grote boot zat, schiet me ook weer te binnen op welk een bijzondere, ik mag wel zeggen, unieke wijze ik zijn geboorte te horen kreeg. Ik vertelde al dat ik, toen hij werd geboren, op de Rufina voer. Bij alles wat ik over dit schip heb verteld, heb ik ook gewag gemaakt van het ontbreken van moderne communicatiemiddelen aan boord. Een geboortebericht krijgen terwijl we op zee zaten, was dus niet mogelijk. Er bleef niets anders over dan te wachten op de keren dat de Rufina afmeerde in het Schottegat op Curaçao. Alleen daar kwam post aan boord en werden eventuele telegrammen afgeleverd.
In de dagen rond de jaarwisseling van 1956-'57 werd de baby verwacht en het spreekt voor zich, dat ik in die periode behoorlijk in spanning leefde. Elke keer na het afmeren in het Schottegat spoedde ik me naar de kapitein om te vragen of er tussen de binnengekomen post een blijde tijding voor mij bij zat. Zo stond ik op 4 januari 1957 ook weer bij die ouwe op de stoep, ervan overtuigd dat hij nu toch wel heuglijk nieuws zou hebben, maar helaas, hij moest me opnieuw teleurstellen. Met de gedachte dat er eerst weer een reis Curaçao - Venezuela overheen moest gaan voordat ik wat aan de weet zou kunnen komen, zocht ik mismoedig mijn hut op. Om tegenstoom aan mijn teleurstelling te geven, ging ik de wal maar op en na een bezoek aan de CPIM-soos en na wat rondzwerven in de Punda, keerde ik terug naar boord, waarna kort daarna werd ontmeerd om voor de zoveelste keer de reis naar het Meer van Maracaïbo te maken. Het liep tegen de avond en ik zat in mijn hut wat te lezen alvorens plat te gaan om mijn slaap voor de hondenwacht te pakken. Door de patrijspoorten zag ik de binnenstad van Willemstad aan me voorbij glijden en een poosje na het passeren van de schipbrug drong het onbewust tot me door dat de machines op volle kracht gingen draaien, wat betekende dat de loods was afgezet en we weer buitengaats waren. Een goed moment om onder zeil te gaan, en terwijl ik bezig was om de windhappers in de patrijspoorten bij te draaien om wat koelte van de Noordoost-Passaat te vangen, werd er op de deur geklopt. Het was de kapitein. Ik wist dat de ouwe van gezelligheid hield en graag een borreltje lustte, maar dat hij dat op dit tijdstip bij mij zocht, miste elke logica. Zijn verschijnen moest dan ook een heel andere reden hebben, en wat dat betreft liet hij me niet lang in het ongewisse. Breed smilend kwam op me af, ik kreeg een ferme handdruk en hij zei:"Gefeliciteerd meester, je bent vader van een zoon geworden". Ik was perplex. Onthutst keek ik hem aan, hoe kon dat nou zo ineens. Na de teleurstellende ervaring van de voorgaande uren, overviel zijn boodschap me als een donderslag bij heldere hemel. Tegelijkertijd was ik echter ook verschrikkelijk blij en in die blijheid mocht hij best wel even mijn tranen zien. Uiteraard tranen van vreugde, maar ze waren toch wel een beetje gemengd met de gevoelens die een zeeman kent op de momenten dat hij thuis extra mist.
Vader van een zoon dus. Maar hoe was die ouwe dat in vredesnaam zo plotsklaps aan de weet gekomen? Tijdens het binnenliggen in het Schottegat was hij niet aan boord, van eventueel nagekomen post kon hij dus geen weet hebben. Wàs er post nagekomen en zou er iets voor mij tussen hebben gezeten, dan had hij dat bij zijn terugkomst aan boord zeker hebben gevonden en had hij het me vast hebben laten brengen voordat we weer naar zee gingen. Hij had toch geen geintje met me uitgehaald? Alsof hij raadde wat ik dacht, deed hij zijn verhaal hoe de vork in de steel zat.
Zijn relaas komt erop neer, dat, toen de loods aan boord was gekomen en de normale voorbereidingen voor vertrek waren getroffen, de Rufina zich kort daarna losmaakte van de steiger. Als kapitein had hij dit al zo vaak gedaan, dat het manoeuvreren om weer zee te kiezen voor hem een routineklus was geworden die hij bijna gedachteloos kon uitvoeren. Toen het schip een twintigtal meters van de kant was, werd hij deze keer echter opgeschrikt door de luide roep van een telegrambesteller die de steiger op kwam hollen met de kreet: 'Een telegram voor 3e wtk Kerkhof!'. Overhandiging van het telegram was niet meer mogelijk en de ouwe, ervan uitgaande dat dit het voor mij zolang verbeide geboortebericht bevatte, bedacht zich geen moment. Hij de gaf telegraafhendels een ruk om ze op 'stop' te zetten en brulde terug: "Maak open en lees wat erin staat!". En toen schalde er over het Schottegat: "Geboren, Christiaan Dirk, zeven pond, moeder en kind maken het prima!".
Het nieuws van de geboorte liep als een stevige bries door het hele schip. Alle collega's die vrij van wacht waren, kwamen me feliciteren en allemaal drongen ze erop aan om meteen een doopfeest te houden. Vooral de ouwe oefende nogal wat druk uit; hij liet een mooie gelegenheid om een gezellige avond te hebben en een stevige neut te verschalken niet zomaar aan zijn neus voorbijgaan. Gelukkig voor hem en de anderen, was ikzelf ook best in voor een feestje en zo gebeurde het dat Christiaan Dirk, terwijl zijn naam nog nagalmde over de Caraïbische wateren, een fiks aantal malen met vuurwater werd besprenkeld.
Door het doopfeest kwam er van mijn tukkie voor de hondenwacht natuurlijk niets meer terecht en tegen de tijd dat ik de 4e wtk moest aflossen, was deze zo collegiaal om mijn wacht over te nemen. Deze beelden voor ogen halend, besef ik ook weer hoe anders het geweest zou zijn als vier maanden later de ramp met de Rufina desastreuze gevolgen voor mij gehad zou hebben. Ik kan nog kippenvel krijgen bij de gedachte aan het verdriet dat ik zou hebben nagelaten.