Zoals ik aan het begin in het vorige hoofdstuk al opmerkte, was ik met het uitdienen van mijn verbintenis in de West 'maar' veertien maanden van huis geweest. Het begon er dus op te lijken dat de arbeidsvoorwaarden voor wat betreft de duur van een contract, de goeie kant uit ging. Tot nu was het in ieder geval de kortste tijd dat ik van huis was geweest en bovendien leverden die veertien maanden maar liefst drie maanden verlof op. Gerekend naar de weekends, de feestdagen en de nodige vakantiedagen die walslurpen per jaar hadden, geen slechte ontwikkeling.
Wasdag als verzetje
Het laat zich raden dat elke dag van die drie maanden volledig werden benut. In de tijd dat ik op zee zat, had Neeltje het zomerhuisje moeten verruilen voor de benedenverdieping van een groot huis, ook weer in het 'derp'. Konden de muren van dit huis praten, er zouden louter opgewekte verhalen te beluisteren zijn. Met tussendoor de nodige lachsalvo's. Zoals die bijvoorbeeld zullen opklinken bij het aanhoren van de gekkigheid die we uithaalden als ik bij tijd en wijle Neeltje in een kinderwagen plantte en haar de kamer rondreed. Wat, naar we later hoorden, bij de overburen aanleiding gaf om te veronderstellen dat er door deze 'uitspattingen' wel gauw weer een kindje zou komen. Een hypothese waarvan wij het verband niet zagen. Wij hadden alleen maar lol. In hun veronderstelling zou meer logica hebben gelegen op de momenten dat ze zagen dat Neeltje bezig was met het aan de waslijn hangen van - voor die tijd! - nogal frivool damesondergoed. Piepkleine nylon slipjes, voor elke dag van de week een andere kleur en met de naam van de dag erop geborduurd. In die tijd in Nederland nog totaal onbekende lingerie, maar in Amerika en omstreken lagen de winkels er al vol mee. Zo ook op Curaçao, waar ik, naast andere begeerlijke nylonspulletjes, die pikante niemandalletjes had gekocht. Ons kwam trouwens niet ter ore, dat de overburen op een wasdag dezelfde conclusie trokken als bij onze kinderwagenact. Voor wie 'wasdag' waarschijnlijk een aangenaam verzetje was, was onze buurman. Een tamelijk sikkeneurige man, die we eigenlijk nooit zagen. Maar als alle wasgoed, inclusief de kleurige blikvangertjes, aan de lijn hing, dan zagen we hem regelmatig achter een zijraam van zijn huis heen en weer schuiven. De blik op de wapperende slipjes.
Geef hem maar een banaan
Met bovenstaande, en nog veel meer komische belevenissen, vulde elke dag zich met zorgeloze avontuurtjes waar we intens van genoten. Immers, tijdens een verlof moest veel worden ingehaald en zoveel mogelijk een voorschot worden genomen op een voor de boeg liggende lange tijd van elkaar weer te moeten missen. Sleur kreeg geen kans, elk verlof betekende een nieuw begin om inhoud te geven aan elkaars jawoord, elkaar op de trouwdag in alle oprechtheid gegeven. Met alles d'rop en d'ran. Inmiddels betekende dat voor ons dus ook de zorg om een kindje groot te brengen, een aspect van ons huwelijk waar mijn kundigheid omtrent het mede vorm daaraan geven bijna een jaar achterliep. Om hiervan een voorbeeld te geven: Als de baby (Chris dus) in de vroege ochtend een beetje begon te mekkeren terwijl wij nog in Morpheus armen lagen, was het Neeltje die opstond om hem weer in slaap te sussen. Totdat ze op een ochtend zei: "Ga jij nou maar eens". Ik ging, en op mijn vraag wat ik moest doen, kreeg ik mee: "Geef hem maar een banaan". "Een rauwe?", was mijn wederwoord. "Ja natuurlijk, wat dacht jij dan". Het werd wel stil in de kinderkamer, maar het duurde lang eer ik weer terug in bed kwam en dus ging Neeltje maar eens poolshoogte nemen. Zat ik op mijn hurken naast het kinderledikantje, een shaggie tussen de lippen, terwijl onze trots met een ongepelde banaan lag te jongleren. Nou ja, wist ik veel.
Opvoeden? (=opdrinken)
Er bestaat trouwens nòg een voorbeeld dat ik van opvoeden vooralsnog weinig kaas had gegeten. Maar, zoals verderop zal blijken, gelukkig was ik hierin niet uniek.
Bedoeld voorbeeld van mijn nog gebrekkige opvoedkundige kwaliteiten, manifesteerde zich toen een collga met zijn vrouw een bezoek aan brachten. Hun dochtertje, net zo oud zals Chris, was mee. Ik merk hierbij op, dat de collega ook een fiks aantal maanden had moeten wachten voordat hij zijn eerste nakomeling zag.
Met vrolijke kout en veel gelach was de ochtend snel om, en na de middagboterham gaven de dames te kennen graag te willen winkelen. Prima, wij mannen, zouden wel op het grut passen. We kweten ons van die taak door onze dreumesen met een paar speeltjes in de box te planten, waar ze, te oordelen naar hun tevreden geluidjes, zeer content mee waren. Dat was dus geregeld. Zelf nestelden we ons in een gemakkelijke stoel om eens flink bij te praten. Kratje bier bij de hand. Het was midwinter en we stookten de (kolen) kachel flink op. Gezellig, zeelui onder mekaar en maar kletsen over de vaart, intussen regelmatig een slok nemend. Dat de ukkies na een poos te kennen gaven het niet meer zo naar de zin te hebben, merkten we pas toen ze het op een blèren zetten. Ons arsenaal om ze te sussen was zeer beperkt, maar na wat vergeefse pogingen om ze stil te krijgen, lukte dat uiteindelijk toch door ze uit de box te plukken en ze maar wat rond te laten kruipen. Dat ze zich daarbij ook kostelijk vermaakten met de lege bierflesjes en er zo nu en dan ook aan lurkten, lieten we maar zo. Ze waren in ieder geval zoet.
In de namiddag meldden onze vrouwen zich weer. Of ze blij waren ons weer te zien? Nou nee, niet echt. Gramschap daalde op ons neer. Het was koud in huis en de ramen waren beslagen omdat we niet hadden gemerkt dat de kachel was uitgegaan, de kindertjes zaten vol pluizen van het wollen tapijt waar ze met hun plakkerige biervingertjes overheen hadden gekropen, hun luiers puilden uit van de poep, maar bovenal richtte de verbolgenheid van de echtgenotes zich op onze aantijgbare opvoedkwaliteiten door ons kroost maar wat aan te laten klooien. Gezien de puinhoop die we ervan hadden gemaakt, wat we zelf ook wel zagen, konden we moeilijk tegenstoom geven. Alleen schuldbewust kijken, en als enig verweer gold misschien het onuitgesproken besef dat we als zeevarende papa's nog veel hadden te leren omtrent het grootbrengen van kindertjes. Wat we onder de gegeven omstandigheden ook maar wijselijk voor ons hielden, was de gedachte dat onze nakomelingen zich toch maar heerlijk hadden vermaakt en wij ondertussen een hele ris machtig mooie ouwe koeien uit de sloot (zee) hadden gehaald.