19. Over een uitsmijter, een messentrekker en een vleeshaakwerper

Lekker is maar één vinger lang
Bij Turku kwam de loods lópend aan boord
De 2e kiellegging
Ruwe bolsters , blanke pit
Zin in een uitsmijtertje, meester?
De messentrekker

Lekker is maar één vinger lang
Begin november 1957 thuisgekomen, was het de eerste paar dagen van februari 1958 nog even smullen van het laatste kootje, maar toen was de koek op. Onze harten sloegen even een klappie over toen het bericht kwam dat ik weer moest gaan varen, maar naar zee gaan was nu eenmaal de consequentie van mijn beroep, en dus, met normaal hartritme, maar weer koffers pakken.


Deze keer werd ik geplaatst op het s.ts. Kellia. Op 7 februari diende ik me op dit schip in Pernis voor aanmonstering als 3e wtk te melden. De Kellia was een zogenoemde VLCC'er, een Very Large Crude Carrier, 170 meter lang, 31.000 ton draagvermogen en voortgestuwd door een stoomturbine met een vermogen van zo'n 12.000 PK. Niet misselijk dus. Met de twee stoomketels, die bij een druk van zo'n 40 atmosfeer oververhitte stoom voor de turbine leverden, met de grote generatoren voor de stroomvoorziening, plus allerlei andere apparatuur om een groot schip in bedrijf te houden, was de machinekameruitrusting met gemak in staat om een flink dorp van energie te voorzien.

Hoewel ik inmiddels al een fiks aantal jaren machinekamerervaring had, werd ik niettemin op de Kellia min of meer in het diepe gegooid. Als voortstuwingsinstallatie op grote schepen vanaf 12.000 ton, had ik alleen maar ervaring met grote dieselmotoren. Werken met stoomturbines was voor mij nog een onbeschreven blad, maar door de studie voor scheepswerktuigkundige bezat ik wel de nodige theoretische kennis omtrent deze machines, en dat was voor Jo Shell voldoende om deze enorme krachtbronnen te kunnen mannen. Daarnaast werd er vanuit gegaan, dat collega's met turbineervaring de ontbrekende practische kennis wel zouden bijspijkeren. Wat betekende, dat er met een van die collega's een wacht werd meegelopen, om je vervolgens op je eigen wacht maar zien te redden. Waarbij wel gezegd, dat men je bij enventele problemen natuurlijk niet lieten aanmodderen. En voor de rest: oren, ogen en neus wijd open, om al doende te leren van wat er alzo voor de voeten kwam.

De Kellia was een goed schip. Slechts een paar jaar oud en in vergelijking met wat ik tot dan gewend was, was de accommodatie prima. Een mooie zit/slaaphut met een tweepersoons bed en een eigen badkamer. Niks mis mee. De eerste reis ging van Pernis naar Turku in Finland. Een heel bijzondere reis. Het was dik winter en steeds noordelijker varend, ontmoetten we flink wat ijsgang in de Oostzee. Door de extreem lage temperatuur bevroor overkomend buiswater meteen op alle delen van het schip en we hadden het druk met het ijsvrij houden van de winches, tankafsluiters en meer van dat soort zaken. Zelfs dik ingepakt, een vreselijk koud karwei. Maar niettemin een ervaring die de gelegenheid geeft om eens niet te schrijven over werken in de bloedhitte van de tropen. De aanlooproute naar Turku werd door ijsbrekers vrijgehouden en nóg hoor ik het onophoudelijk gebonk van de meer dan een meter dikke schotsen die tegen de boeg en de romp van de Kellia beukten, waardoor een constant dof gerommel door het hele schip was te horen.

Bij Turku kwam de loods lópend aan boord
Wat ik nog nooit had meegemaakt, was de wel zeer bijzondere manier waarop we beloodst werden. Eigenlijk op een bijzonder grappige manier. Terwijl de Kellia mijlen uit de kust tegen het ijs stillag, kwam de loods in een auto over de ijsvlakte aangereden en het was een onwezenlijk gezicht hoe hij daarna naar de loodsladder liep, de ladder beklom en vervolgens aan boord stapte. Als ik dit vertel – “bij Turku kwam de loods lòpend aan boord” - dan krijg je de neiging om op je voorhoofd te wijzen. Toch is het waar.

Een paar dagen lossen in Turku en daarna terug naar Pernis! Een aangename verrassing. De sparks kreeg het druk met het versturen van telegrammen naar het thuisfront, waar men natuurlijk niet minder verheugd was. Zo kort na een afscheid geliefden weer te zien, was een enorme meevaller die vlinders in de buik veroorzaakten en die aanspoorden om 'kantoor' te overstelpen met telefoontjes met de vraag wanneer en hoe laat het schip in Pernis zou afmeren. Met het naderen van uur U, werden zelfs de portiers van Pernis en ladingmeesters gebeld om aan de weet te komen of de kantoorgegevens nog klopten. Je kon immers nooit weten. Zeker niet indachtig het gezegde dat de mens wikt en de Shell beschikt. Uit vorige verhalen is wel gebleken dat het vaarpatroon van Shellschepen veranderden als het weer. Maar na vertrek uit Turku bleef de steven gelukkig gericht op de Nieuwe Waterweg en werd er daadwerkelijk afgemeerd in Pernis.

Ik hoef niet meer te vertellen hoe het aan boord komen van de echtgenotes, kinderen en eventuele familie verliep, en dus is het niet moeilijk een voorstelling te maken hoe ontzettend blij ik was Neeltje weer even te zien en Chris weer even op de arm te nemen. Ik had geen wacht, dus konden we ons meteen in mijn hut terugtrekken om van het weerzien te genieten. Was deze hereniging zo kort na het afscheidnemen mooi meegenomen, tijdens het binnenliggen in Pernis kwam er nóg een verrassing uit des Shell's rode schelp. Na Pernis werd de Kellia namelijk naar Thameshaven in Engeland gedirigeerd, een reisje dat onder de noemer 'kustreis' viel en het verheugende van een kustreis was, dat de echtgenotes van de lagere rangen op zo'n reis mochten meevaren. Een tegemoetkoming op het voorrecht van de kapiteins, eerste stuurlui, hoofdwtk's en tweede wtk's, die zich op een 'oceaanreis' door hun eega's mochten laten vergezellen. Naar Thameshaven was het maar een dag varen. Bovendien was al bekend dat daarna teruggegaan zou worden naar Pernis. Het meevaren was dus van korte duur, maar toch lieten Neeltje en ik ons dit buitenkansje niet aan onze neus voorbijgaan. Als toetje op het net voorbije verlof, was het een meevaller waar we optimaal van wilden genieten. Daarenboven was het voor een zeemansvrouw een prachtige gelegenheid om eens te zien hoe manlief voor thuis het dagelijks brood op de plank bracht. Neeltje liep zelfs een paar uurtjes mee op mijn wachten, daarbij diep onder de indruk van de gigantische afmetingen van de machinekamer en van alles wat daar stond opgesteld. En dat een wtk toch wel heel wat in zijn mars moest hebben om dit alles draaiende te houden.

Ondanks het slechte weer - het was miezerig en koud - werden het een paar prachtdagen. Vanuit Thameshaven maakten we per trein een trip naar Londen, waar we op de bovenverdieping van een Londense dubbeldekker het stadsgewoel bekeken. Uitstappen in het centrum om wat te shoppen en te sightseeën. Hartstikke leuk. Maar het summum van het meevaren was toch wel om na een wacht niet in een lege hut te komen, maar je vrouw daar te vinden. Samen gezellig bijpraten en, 's nachts na de hondenwacht, gestalte geven aan het door zeelui zo graag gebezigde gezegde genoeglijk achter kaap kont te kruipen. Een ongekende luxe voor een zeemansechtpaar dat in die in die tijd maandenlang van dit alles verstoken bleef.


De 2e kiellegging
Vertellend over het meevaren van Neeltje schiet me nog te binnen, dat latere berekeningen uitwezen dat er half februari, midden op de Noordzee, ook nog een kiellegging heeft plaatsgevonden. De tewaterlating van deze 'vlootuitbreiding' geschiedde negen maanden later, om precies te zijn op 24 november 1958. De naam van de nieuwe aanwinst: Dirk Hendrik. Aan het grote genieten door het meevaren van de diverse echtgenotes kwam een eind toen de Kellia weer in Pernis afmeerde, lading innam en vervolgens de steven richtte naar verre oorden die in de verste verte niets met een kustreis hadden te maken. Derhalve geen enkele kans op een tussentijdse hereniging met het thuisfront en het zou weer vele maanden duren alvorens ik bij thuiskomst Neeltje en, nu, twee kinderen in de armen kon sluiten.

Wat die verre oorden betreft, de reizen van de Kellia vonden deels plaats op het westelijk halfrond en deels op het oostelijk halfrond. Hierdoor kwam ik in Zuid-Amerika onder meer in plaatsen als Buenos Aires, Montevideo, Rio de Janeiro en Punta Cardon. Voor de verandering ook weer eens in Willemstad op Curaçao, en ook in Noord-Amerika in New York, Boston en Portland. In Canada gingen de trossen uit in Quebec en in Montreal aan de St. Lawrence rivier. In de oostelijke helft van de wereld voerden de reizen naar onder andere Japan (Kobe, Yokohama, Tokio) en de plaatsen in de Oost en Australië waar ik voordien al meerdere keren was geweest.

De eerlijkheid gebied te zeggen, dat mijn geheugen niet precies heeft opgeslagen wat er tijdens die reizen allemaal op zee gebeurde en welke beelden en indrukken ik overgehouden zou moeten hebben van wat ik aan de wal zag en meemaakte. De zee gedroeg zich uiteraard niet anders dan dat ik had meegemaakt op andere schepen en dus deden zich als gevolg van barre weersomstandigheden situaties voor die ik eerder al eens beschreef en natuurlijk ben ik niet alles vergeten wat ik allemaal in den vreemde zag en meemaakte, maar het zijn allemaal voorvallen en indrukken die weinig spectaculaire verhalen in zich bergen. Bovendien hadden zich in de afgelopen paar jaar veranderingen in mijn leven voorgedaan die bepalend waren voor mijn leven aan boord. Wat acht jaar geleden begonnen was als een passie, ging, doordat nu Neeltje en Chris thuis wachtten, langzaam over in gewoon werken. In de voorliggende jaren had ik alles gepeurd uit wat het varen over de wereldzeeëen en het de wal opgaan in verre landen inhield, maar inmiddels was ik op een punt beland, dat dit alles me niet veel meer deed. Wat niet wil zeggen dat het zeemansberoep me ging tegenstaan. Integendeel. Het was een zo intens deel van mezelf geworden, dat het zelfs nu nog in me leeft.

Geven bovenstaande ontboezemingen wellicht aanleiding om te denken dat mijn verhalen uitgeput zijn, dan is dat gelukkig niet zo. Want, hoewel ik vanaf nu minder stof heb omtrent wederwaardigheden op zee en walbelevenissen, aan boord gebeurde nog genoeg waarover het een en ander te vertellen is. Om hiervoor de draad op te pakken, begin ik met verhaal te doen over een paar voorvallen die zich voordeden op de Kellia. Ze zijn zowel bizar als grappig.

Ruwe bolsters , blanke pit
De crew van de Kellia bestond uit Hollandse varensgezellen. Geen gemakkelijke jongens die je, zoals zal blijken, nog wel eens voor verassingen zetten. Thuis misschien moeders liefste, maar aan boord zeker geen lieverdjes. Aan de andere kant, het waren goeie zeelui. Ruwe bolster, blanke pit zullen we maar zeggen. Aangemonsterd zonder bijlevering van een handleiding, maar dat maakte voor mij niet veel uit. Ik plakte er zelf wel een op. Om hiervan een voorbeeld te geven, toen ik op de Kellia aanmonsterde, had ik op mijn wacht als stoker een rasechte Hagenees. Kluif. Waarschijnlijk zo genoemd omdat het een heel tenger kereltje was en zo mager als een lat. Vel over been en zijn botten waren als het ware zo om af te kluiven. Om de nodige indruk te maken, bestond zijn vocabulaire voornamelijk uit godslasterende uitdrukkingen en schuttingwoorden. Na op een keer de wal op te zijn geweest met een bezoek aan, wat hij noemde, een 'gleufdiertje', kwam hij niet al te fris op wacht, wat voor mij reden was om hem te verstaan te geven een van zijn collega's maar voor zijn wacht te laten opdraaien. Dit was blijkbaar tegen het zere been. Kluif tracteerde me op een scheldkannonade waarin alle denkbare rauwe verwensingen aan de beurt kwamen. Wat ik natuurlijk niet pikte, en wat er toen uit mìjn mond kwam om hem van repliek te dienen, is op deze plek niet voor herhaling vatbaar. Tig keer erger dan wat hij meende mij te moeten toevoegen. Naast de meest gangbare krachttermen, was teringlijer slechts een slap afgietsel van wat ik allemaal voor hem in petto had. En het had resultaat. Mijn zelfgemaakte gebruiksaanwijzing voor een stoker met een grote bek werkte prima. Kluif had zijn meerdere in zijn specialiteit gevonden en werd zo mak als een lammetje. Toen hij veel later van boord ging, kwam hij me zelfs met tranen in de ogen vertellen dat hij nog nooit zo prettig had gevaren als met mij. Een raar ventje. Eens kreeg hij de slappe lach toen hij bij het overgeven van de wacht naast de 4e wtk en mij kwam staan met een zware voorhamer. “De knijp”, zei Kluif, de voorhamer boven de voeten van de vierde houdend. Ervan overtuigd dat de hiërarchische verhouding tussen hem en een stoker dusdanig groot was dat Kluif de hamer toch niet durfde te laten vallen, was het antwoord: “Ja, de knijp”. De dagen erop liep de vierde met aan zijn ene voet een schoen en aan de andere een slipper om zijn blauwe grote blauwe teen te ontzien. En Kluif maar lachen.

Zin in een uitsmijtertje, meester?
Was Kluif een rare gozer, de stoker met wie ik later te maken kreeg, was helemaal een vreemd heerschap. Jan, zo heette hij, was me in ruil voor Kluif toegeschoven door de 2e wtk, die absoluut niet met Jan overweg kon. Blijkbaar had ik een naam opgebouwd met Kluif onder de duim te houden en dacht de second dat me dat met Jan ook wel zou lukken. En dat ging prima. Ik zat hem flink achter zijn kont, wat hij zonder morren pikte en in de momenten dat er even tijd was voor een blasie, hadden we het nog gezellig ook. Prachtige verhalen kreeg dan ik dan te horen over wat hij allemaal uitgevreten had, soms met als consequentie dat hij een poosje uit 'logeren' werd gestuurd. Tijdens zo'n loggerpartij had hij Manus Olie en Gerrit de Stotteraar - in de jaren vijftig twee beruchte inbrekers - leren kennen. Dat hij waarschijnlijk ook nog iets van dit tweetal had geleerd, kwam ik achter toen hij eens op de hondenwacht naar me toe kwam en vroeg: “Zin in een uitsmijtertje, meester?”.

Een onzinnige vraag midden in nacht, want ik wist dat hij toch niet aan de nodige ingrediënten kon komen. Alle etenswaar zat in de koelkamer achter slot en grendel en alleen de voedingsofficier met de hofmeester had daar toegang toe. Meer als grap antwoordde ik dan ook: “Ja, waarom niet, lekker”. Maar ik keek raar op toen hij een goed kwartier later met een uitsmijter met alles erop en eraan naar me toe kwam! Eerst dacht ik nog dat hij de eieren en de andere spullen overdag bij de kok had gebietst, maar dat was niet zo. “Hoe kom je er dán aan”, vroeg ik natuurlijk. “Doet er niet toe meester. Is ie lekker, of niet?”. Ik kon alleen maar beamen dat de uitsmijter best te pruimen was, maar toen hij een paar wachten later weer met zo'n culinair brouwsel op de proppen kwam, vertrouwde ik het voor geen meter meer. “Je bent zeker op de jattoer geweest in de koelkamer. Wat natuurlijk niet kan, want daar kom jij van z'n lang zal ie leven niet in”. Jan trapte er mooi in. “Oh nee, meester? Moet jij maar es opletten”, en weg was ie. Blijkbaar had ik een gevoelige snaar getroffen. Een paar minuten later kwam hij terug en hield triomfantelijk het geopende hangslot van de koelkamer voor mijn neus. Een mooi heer. Maar het was natuurlijk meteen gedaan met ” Uitsmijtertje, meester? “.

De messentrekker
Jan had nog mazzel dat ik zijn inbrekerskunsten maar liet voor wat het was, maar toen hij een stunt uithaalde waarbij bloed vloeide en een bijna-dooie viel, was dat andere koek. Dat kon natuurlijk niet stil worden gehouden. Het waarom niet, zal nog duidelijk worden.

Na de genoemde reizen over de westelijk helft van de aardbol, werd de Kellia oostwaarts gedirigeerd. Richting Middellandse Zee, waar een paar havens werd aangelopen, om vervolgens orders te krijgen voor Bahrein aan de Perzische Golf. Het was ten tijde dat de wereld niet om olie zat te springen, en er werd, wat werd genoemd, 'economische vaart' gevaren. Anders gezegd, van de twee stoomketels stond er maar één in bedrijf om brandstof te sparen. Overbodig dus om te zeggen, dat de Kellia maar weinig vaart maakte en dat de reis naar Bahrein een slaapverwekkende vertoning werd. Totdat we de PG invoeren. En deze keer geen verhaal over bloed zwéten, maar over bloed vloéien.

Het gebeurde 's nachts om twaalf uur bij het overgeven van de wacht. Ik loste de 4e wtk af en Jan, mijn stoker, nam het werk over van de stoker van de vierde. Meestal was het overgeven van de wacht een routinezaak. Eventuele bijzonderheden werden doorgegeven en er werd een praatje gemaakt dat altijd eindigde met: “Nou, goeie wacht” en: “Slaapse”. Maar deze keer kwam van deze goede wensen niets terecht. Want, luister en huiver.

Terwijl de vierde en ik stonden te praten, hoorden we ineens een flinke scheldpartij in het stookhok. “Shit, 't is weer zover, hebben ze weer ruzie om een tinnetje melk. Nou ja, zal wel weer bijdraaien”, was onze reactie. Om duidelijk te maken waarom zoveel kabaal werd gemaakt om zoiets lulligs als een tinnetje melk, moet ik even vertellen dat de stokers voor de wtk's en zichzelf koffie zetten, waarvoor ze voor drie wachten één tinnetje koffiemelk kregen. Om te controleren of er voor elke wacht precies evenveel was verbruikt, hadden ze daarvoor een klein peilstokje gemaakt dat in drieën was verdeeld. En donder en bliksem, als na peiling bleek dat de voorgaande stoker buiten zijn boekje was gegaan. Dan was het storm in het stookhok! Altijd luwde die na een poosje weer, maar deze keer hield de stortvloed van elkaar de meest vreselijke ziektes en ander ongerief toewensen zo lang aan, dat ik maar eens ging kijken. Wetend waar al die heibel om ging, maakte ik korte metten: “Jij dondert naar je kooi en jij aan je werk. Stoppen met dat gelazer om een beetje rotmelk!”. Het hielp. Jan maakte aanstalten om branders te verwisselen en schoon te maken en zijn collegastoker ging af om te kooi te gaan. Rust weergekeerd. Dachten we... Want halverwege de stookplaat draaide de aftaaiende stoker zich om en vuurde nog een paar verwensingen richting stookhok. En toen waren de rapen compleet gaar! Het was voor Jan de rooie lap om totaal door het lint te gaan. Hij stoof het stookhok in en kwam terug met een groot mes dat hij rücksichtlos in de omvangrijke, boven zijn broek uitbollende, blote buik van zijn maat plantte! Zeker zes, zeven centimeter diep en er was weinig voor nodig om te bedenken dat er, behalve uitwendig letsel, inwendig ook flinke averij werd aangericht. Nòg zie ik hoe de randen van de wond uitpuilden toen het mes terugtrokken werd en het slachtoffer zijn handen naar zijn buik bracht. Het bloed sijpelde door zijn vingers.

Daar sta je dan. Plotsklaps was een standaard ruzie om een beetje koffiemelk ontspoord in een bloederig tafereel. De gedachte om Jan bij zijn kladden te pakken, was geen aantrekkelijke optie. Hij had nog steeds het mes in zijn handen dus moest er iets anders bedacht worden om hem bij zinnen te brengen. Maar wat. Ik wist eigenlijk niets anders te bedenken dan een lawine van vloeken over hem uit te braken en hem hel en vagevuur te beloven als hij dat mes niet weglegde en aan zijn werk ging. Dit spervuur van getier had gelukkig succes. Net als bij Kluif, maakte de opeenstapeling van mijn onparlementair woordgebruik blijkbaar dusdanig veel indruk, dat hij bedaarde en afnokte naar het stookhok.

Voorlopig één probleem opgelost. Maar het andere, het slachtoffer van de steekpartij, stond nog te kermen in afwachting wat er met hém moest gebeuren. Om te beginnen bracht ik de ongelukkige naar de ziekenboeg. Intussen seinde de vierde wtk de stuurman van de wacht in omtrent het drama in de machinekamer en vroeg hem om de 1e stuurman te porren. De papieren dokter, van wie ik eerder al vertelde dat hij aan boord de man was die lichamelijke ongemakken behandelde. Ongemakken, die meestal wel te verhelpen waren met een rolletje verband en een pleister, maar deze keer werd onze 'scheepsmedicus' geconfronteerd met een patiënt met een euvel waarvoor de dikke Boonakker (het medisch handboek aan boord) adviseerde een ingreep te doen die de hij nog nooit eerder had gedaan. Namelijk, de wond dichtnaaien. Tekeningen in het handboek lieten zien welke spullen hiervoor gebruikt moesten worden, die, na inspectie van de medicijnkast, voorhanden bleken te zijn. De kunst was nu om met deze attributen de gapende wond te hechten. Een klus die toch wel enige medische vaardigheid vereiste. En die bezat de stuurman niet. Maar geen nood. Waarschijnlijk voor ogen hebbend hoe zijn moeder ooit wel eens een scheur in zijn broek had versteld, paste hij dezelfde methode toe bij de stoker. Op apegapen liggend, keek deze (en onder andere ik) toe hoe de stuurman de naald en draad zonder verdoving (!) in zijn vlees prikte, de naald doorduwde en de draad stevig aantrok. Daarna opnieuw insteken en doorhalen. Een keer of vijf. Toen was de wond 'gehecht'. Dat de stoker toen allang in katzwijm lag, is geen wonder.

Zeker met het oog op inwendig letsel, was het zaak dat de ongelukkige, na het ondergaan van de beschreven knullige chirurgische ingreep, snel professionele hulp kreeg. Dus werd de tweede stoomketel zo snel als mogelijk op druk gebracht om op volle kracht op te stomen naar Bahrein. Onderweg werden de autoriteiten telegrafisch op de hoogte gesteld van wat er zich aan boord had afgespeeld en dat deze informatie goed was opgepakt, bleek wel toen de Kellia in Bahrein afmeerde. Er stonden twee voertuigen op de steiger: een ziekenauto en een boevenwagen. Het slachtoffer van de steekpartij werd in de eerste gekiepeld en Jan, mijn stoker, verdween in de tweede. Hoe het met het slachtoffer is afgelopen, weet ik niet, maar welhaast zeker is, dat Jan weer een poosje uit 'logeren' is gestuurd.

Na Bahrein moest ik een rapport opmaken van het bloedig incident. De achternaam van Jan die met een L begon, kwam in dat rapport meerdere keren voor, waardoor ik maar besloot alleen zijn initialen te gebruiken. Bij nalezing van het rapport viel me op, dat die initialen ook vertaald konden worden naar Jan met de korte achternaam. Maar dat paste wel bij die rare gozer. Vleeshaakwerpen

Na Bahrein ging de reis naar Sydney. Weer economische vaart. De tweede ketel die op druk was gebracht om de gewonde stoker zo snel mogelijk aan de wal te krijgen, was weer afgezet. Bijgevolg met een slakkegang over een oneindige Indische Oceaan naar Australië. Alleen met water en lucht om ons heen, duurde de reis naar Sydney maar liefst dik zeven (!) weken. De langste tijd die ik ooit aan een stuk, zonder land in zicht, op zee zat. Afgezien van wat weersomstandigheden die de oceaan een enkele keer in een grimmige lap water veranderden en er een beetje reuring was, was saaiheid troef. Althans, er gebeurde toch nog iets niet alledaags. Na een week of vijf op zee en nog een paar weken voor de boeg alvorens in Sydney aan te komen, zat de kok de chef-hofmeester met een vleeshaak achterna en gooide dat ding goed raak in de rug van de achtervolgde. Aanleiding tot deze aanslag gold de bijna dagelijkse kritiek op het eten. Onterecht, want alleen maar raasdonders met gezouten spek als dagelijkse kost zoals op de vroegere VOC-schepen, hoefde niet meer weggekauwd te worden. Een paar honderd jaar later stond er aan boord een heel wat beter en gevarieerder menu op de spijskaart. (Die altijd deftig op tafel prijkte). Maar kankeren op het eten zit de zeeman nou eenmaal in het bloed, en dus werd er op de Kellia ook heel wat afgefoeterd. Met als pispaal natuurlijk de kok. Die op zijn beurt de schuld aan de chef-hofmeester gaf, want die verstrekte volgens de kanenbraaier geen goeie spullen om een lekkere hap uit zijn pannen en potten te toveren. Dit twistpunt tussen kok en de chef-hofmeester was een normaal verschijnsel, maar omdat op deze toch wel extreem lange reis de verse victualiën opraakten, moest de kok al zijn culinaire creativiteit aanwenden om toch nog iets smakelijks op tafel te zetten. Maar inplaats van lof voor zijn brouwsels te oogsten, kreeg hij alleen nog maar meer gekanker te verwerken. Hierdoor liep zijn gemoed zo vol, dat hij op een bepaald moment het gebakkelei met de hofmeester kracht bij zette door hem met een vleeshaak te lijf te gaan. Na het mesincident van een paar weken eerder, opnieuw dus opschudding aan boord. Deze keer gelukkig met aanzienlijk minder lichamelijke averij, maar toch een vervelend akkevietje. Aan de andere kant, het doorbrak de eentonigheid van alle dag en het gaf in ieder geval weer voor een poosje praat.

Inhoudsopgave