Even hiervoor ontkende ik dat het niet alleen kommer en kwel was op de Kellia. En dat was ook zo. Afgezien van de voorgaande brute voorvallen, gebeurde er ook genoeg waar om gelachen werd. Veelal waren het flauwe gebeurtenissen die hiertoe aanleiding gaven, maar het kwam ook voor, dat een collega onbewust aanzet gaf tot hilariteit. Zo schiet me te binnen, dat, toen we na dat kustreisje naar Engeland weer terugkeerden naar Pernis, de vriendin van de 4e wtk ook aan boord kwam. Corrie heette ze. Ze loenste een beetje, maar als ze de vierde aankeek, trokken haar ogen van verliefdheid helemaal recht en kon ze in het bijzijn van anderen amper van hem afblijven. Begrijpelijk dus, dat ze verlangend uitkeek naar het moment dat de avondwacht van acht tot twaalf van haar aanbedene erop zat, en ze in de nachtelijke uren hun samenzijn in de beslotenheid van zijn hut feestelijk konden vieren. Of dat nu wel of niet is gebeurd, doet er niet toe. Feit is, dat bij het ontbijt op de vraag of iedereen goed had geslapen, de vierde dit beaamde en er ongevraagd aan toevoegde dat Corrie in zijn kooi, en hij op de bank had geslapen. Wat natuurlijk gniffelend werd aangehoord. Dit voorvalletje zou in de vergetelheid zijn geraakt, ware het niet dat er een paar maanden later een telegram kwam met als inhoud: "Ben in verwachting. Stop. Corrie". En toen kreeg de vierde het alsnog voor zijn kiezen. Hij kreeg opmerkingen om zijn oren als "Dat je een lange hebt, dat weten we meester. Maar dat je snikkel de afstand tussen je kooi en de bank kan overbruggen, bestaat niet". En we waren goed op de hoogte, want tijdens het gezamenlijk douchen hadden we al wel gezien dat hij bij de uitdeling van trouwgereedschap flink vooraan moet hebben gestaan.
Een paar maanden later werd de vierde nog een keer op de korrel genomen. Ik liep de middagwacht, toen de leerling wtk naar me toekwam met: "We moeten toch eens een bijnaam voor de vierde bedenken". "Waarom?", was mijn wederwoord. "Nou, zomaar". Waarop ik weer: "k Zie de lol er niet van in, maar jij doet maar". Een poos later kwam de leerling terug. "Ik weet het meester, Jelle Peilstok". Met peilstok natuurlijk doelend op de niet geringe afmeting van de vierde zijn fluit. Binnen de kortste keren had iedereen het over Jelle Peilstok, en ergens heb ik al eens gezegd dat niets voor niemand aan boord verborgen werd gehouden, en dus kwam de vierde zelf ook aan de weet hoe hij werd genoemd. Hij vond het maar niks. Vooral de toespelingen die hij had opgevangen waar zijn bijnaam aan ontleend was, zaten hem dwars. Nou kon ik het uitstekend met hem vinden, wat waarschijnlijk de reden was waarom hij bij mij zijn hart kwam luchten. Ik zat er wel een beetje mee en wist eigenlijk niks te zeggen. Vooral ook, omdat mijn gedachten tijdens zijn klaagzang in de doucheruimte vertoefden, en ik niet kon nalaten om onzichtbaar grijnzend te denken dat die leerling toch wel een creatieve geest bezat. Maar ineens kreeg ik een brainwave: "Hé, meester, waar maak je je nou druk om. Laat ze maar lullen, man. Je denkt helemaal verkeerd. Want wat doe jij elke dag 's middags om twaalf uur?". Daar hoefde hij niet lang over na te denken. "Bunkers peilen". En dus zei ik: "En waar doe jij dat mee?". "Met een peilstok natuurlijk". En toen begon er een lichtje bij de vierde te branden en was hij meteen opgelucht. Ik hoefde niet eens meer de logica uit te leggen waarom hij dus Jelle Peilstok werd genoemd. Dat de vork in de steel bleef zitten waar hij oorspronkelijk zat, dat bleef alleen bij alle anderen aan boord het ware verhaal. Ik heb Jelle maar nooit verteld wie de bedenker van die ware versie van zijn bijnaam was. De leerling zou geen leven meer bij hem hebben gehad.
Ik geef toe, met dit soort gein krijg je een volle zaal niet plat, maar in de kleine wereld op een schip, waren het de krenten in de pap die vooral op eenzame reizen voor wat vermaak zorgden.