Na een goed halfjaar Kellia, werd ik op 23 juli 1958 in Singapore overgeplaatst naar het m.s. Malea. Een 12.000 tons tanker van een type waar ik al de nodige ervaring mee had. De machinekamer kende dus geen geheimen voor me..
Wat de reden van mijn overplaatsing was, weet ik niet meer. Waarschijnlijk omdat de Kellia richting Europa ging en een verlofganger mij moest vervangen. Ondanks dat uit- en thuisvliegen van personeel meer en meer gebeurde, was dit toch nog de goedkoopste manier om iemand met verlof te sturen. Niks op tegen, maar pech voor de gelukkige als de orders weer eens werden veranderd in 'Verweggiestan'. Al kankerend moest de verlofganger dan ongewild een paar maanden aan zijn contract vastplakken. Maar daar zat Jo Shell niet mee.
Met het op een ander schip geplaatst worden, had ik dus ook weer eens pech. Immers, de kans om met de Kellia misschien wel naar Holland te gaan en na een maand of zeven even thuis te kunnen zijn, ging aan mijn neus voorbij. Extra zuur, omdat ik nu alleen uit brieven op de hoogte werd gehouden hoe de zwangerschap van Neeltje verliep. Voordat ik in augustus 1956 werd uitgezonden naar Curaçao, had ik haar voor de geboorte van Chris nog een een vijftal maanden in verwachting meegemaakt, maar met de komst van een nieuwe boreling kon ik dat wel schudden. Want ik kan alvast vertellen, dat mijn dienstverband op de Malea, zonder een thuisvaart, bijna zeven maanden zou duren.
Hoewel ik me van de eerste paar maanden op de Malea amper iets weet te herinneren, staat me nog wel bij dat we zo'n beetje eind oktober, begin november, enkele havens in India aanliepen, zoals Chittagong, Colombo en Madras. Mijn vaccinatieboekje laat zien, dat ik in Colombo weer eens ingeënt werd. Deze keer weer voor typhus. Ik weet nog dat het me, zoals altijd na zo'n prik, een paar dagen koorts bezorgde. Ingeënt worden was een vast ritueel voor een zeeman. Het moest hem behoeden voor allerlei enge ziekten zoals pokken, gele koorts, cholera, tetanus, typhus en weet ik wat al niet meer aan narigheden die in verre landen op de loer lagen. Over de jaren moest ik daarvoor zeker twinig keer mijn bovenarm aanbieden om het nodige ingespoten te krijgen.
Please sir, no papa, no mama
In India de wal opgaan bood weinig vrolijkheid. Armoe troef. Zodra ze je in de peiling kregen, werd je omringd door een schare bedelaars. En of ze nu jong of oud waren, terwijl ze hun hand ophielden was hun standaard gebrabbel voor een aalmoes: "Please sir, no papa, no mama". Voor de wat jongeren onder hen nog aannemelijk, maar bij de veel oudere bedelaars kon je daar toch wel je bedenkingen bij hebben. Gaf je ze wat, dan raakte je ze niet meer kwijt. Je kon dan amper nog een stap verzetten, zoveel waren het en dus bleef de portemonnaie, hoe weinig humaan ook, dicht. Tussen de vieze bende op straat krioelde het van de 'hendrikken', van wie je je kon afvragen wat ze allemaal deden om aan de kost te komen. Dat was alleen af te zien aan de legio eenmanszaakjes die een handeltje dreven of aan handwerkslieden die allerlei rommeltjes produceerden. En tussen deze hektiek van mensen, oude rammelkasten van bussen die tot op het dak bezet waren en waar men aan beide kanten levensgevaarlijk uithing, reden bellende fietstaxis en gammele ossenkarren. De heilige koeien waren heer en meester in al dit gewoel. Met eerbied werden ze ontweken. Kraaien, bij wijze van spreken net zoveel als mussen in Holland, pikten alles mee wat ze van hun gading zagen. Zelfs loerden ze op arme stakkers die op straat lagen dood te gaan. Weinig opgewekte taferelen. Over dit soort walervaringen in India zou ik hier nog meer beelden kunnen vastleggen, maar vandaag de dag is er televisie die ze beter weergeven dan dat ik ze kan vertellen. Wat me eraan doet denken, dat er in een halve eeuw nog weinig in deze contreien is veranderd.
Medio november was de Malea weer in de buurt van Singapore. Het liep tegen de tijd dat de, wat ik eerder de 'tewaterlating van een nieuwe aanwinst' noemde, zou kunnen plaatsvinden. Uit de laatste brief van thuis had ik vernomen, dat de bevalling in het ziekenhuis in Alkmaar moest plaats vinden en ik begon flink zenuwachtig te worden. Dagen had ik de marconist al aan zijn kop gezeurd vooral allert te zijn op een telegram dat er voor mij zou kunnen komen. De sparks toonde zich zeer begripvol, en beloofde geen enkele keer de tijdstippen over te slaan waarop hij berichten voor de Malea moest 'afluisteren'. Dat hij woord hield, bleek wel toen we, nadat in Pladju lading was ingenomen, we daarna bij Pajong op de Pladjukali ten anker lagen om op hoogwater te wachten. Het was 24 november. De kapitein was jarig en gaf een feestje. Ten anker op stroom liggend, gaf dit de mogelijkheid dat bijna iedereen van de partij kon zijn. Alleen een 5e wtk, die de machinekamer in de gaten moest houden, en de sparks ontbraken. Wat de laatste betreft, ik vond dat wel vreemd. Hij had geen dienst en was er altijd als de kippen bij was als er een feestje werd gegeven. Het werd best gezellig, maar ergens sloeg de feeststemming niet op mij over. Mijn gedachten waren constant bij thuis. Bij Neeltje. Voor de tweede keer kon ik niet getuige zijn hoe ze de bevalling doorstond.
Terwijl de glazen al een paar maal waren gevuld en de nodige hapjes naar binnen waren gewerkt, kwam de sparks toch nog opdagen. Wapperend met een telegram kwam hij de hut van de ouwe binnen, stapte rechtstreeks op mij af en stopte het in mij toe. Iedereen keek raar op, want net als ik, wist men dat hij geen dienst had. En toch een telegram. Het bleek dat hij op eigen houtje, speciaal voor mij, Schevening Radio had opgeroepen met de vraag of er mogelijk berichten voor de Malea waren. En die waren er, waaronder dus ook een telegram voor 3e wtk Kerkhof. Hoe ik erop reageerde, kan ik misschien het best verwoorden door een aantal regels uit een brief te citeren die ik naar huis stuurde... en de sparks kwam meteen op mij af en gaf me een telegram. De kleuren sloegen me uit en ik was helemaal de kluts kwijt. 'k Dacht eerst nog, het is een grapje, omdat hij geen dienst had en pas 's avonds eventuele berichten kon ontvangen. Maar deze sparks, een vent uit duizenden. Wetend hoe ik op hete kolen zat en het zowat niet meer had, was hij achter zijn seinsleutel gaan zitten en had Scheveningen gevraagd of er misschien iets voor de Malea was. Een pracht kerel. 'k Geloof dat ik de eerste minuut niet eens het besef heb gehad om het telegram open te maken. 'k Geloof dat ik me die eerste tijd alleen maar bewust werd van het feit dat het dan nu eindelijk was gebeurd. Maar toen ik het open had gemaakt en las dat alles goed was, viel alle spanning weg. Het drong eigenlijk niet eens tot me door dat het een zoon was, alleen te lezen dat jij er goed doorheen gekomen was, gaf me een blij gevoel. Natuurlijk wilden de anderen ook weten wat er in het telegram stond, en toen ik het voorlas en ze hoorden dat Dirk negen pond en twee ons woog, hoorde ik alleen maar: 'Nou, nou', en meer van dergelijke bewonderende uitroepen. Meteen veel handen schudden natuurlijk, en ik hoef je denkelijk niet te vertellen, dat de verjaardagsfuif van die ouwe een dubbel feest werd. Later op de avond heb ik de sparks nog gevraagd of hij een telegram van mij wilde versturen, want je snapt, ik wilde zo gauw mogelijk iets van me laten horen. De verbinding was vreselijk slecht, maar de sparks wist Scheveningen toch te pakken te krijgen. Dat was een uur of drie 's middags bij jou en had jij mijn telegram misschien een half uurtje later al. Klopt dat? En de mand met fruit via Radio Holland zeker de volgende dag?'
Met de geboorte van Dirk was het dus de tweede keer dat ik door een telegram aan de weet kwam dat ik (weer) vader was geworden. Terwijl ik dit opschrijf (een paar maanden voor het einde van dit millennium), werkt de electronische snelweg heel wat sneller en biedt het heel wat meer mogelijkheden, maar toen was iedereen maar wat blij dat berichten voor thuis door het di-di-di-da-da-da dat de marconist de ether instuurde, binnen een paar uur ter plekke was. Van de marconist werd echter alleen gebruik gemaakt als er iets belangrijks te melden viel. Op het antwoord op de vraagtekens in mijn brief, moest ik wachten tot er een paar weken later weer post aan boord kwam.
Uit wat ik verder in de aangehaalde brief schreef, spreekt duidelijk het verlangen dat ik het liefst per ommegaande met verlof wilde. Maar er waren pas goed negen maanden van mijn contract om en dus hoefde ik er niet op te rekenen gauw thuis te zijn. Want toen we na Pajong bij hoog water weer ruimzee kozen, ging de reis eerst naar Balikpapan en vervolgens naar Miri. Van hieruit werd koersgezet naar Sydney, alvast wetend, dat de weg terug naar Singapore zou gaan. Onderweg naar Sydney rekende ik uit, dat we daar tegen het eind van 1958 zouden aankomen en dat eind januari 1959 Singapore bereikt zou kunnen worden. Ik hoopte daar afgelost te worden.
Voor Sinterklaas de krukput in
Het retourtje Australië verliep best prettig. Alleen, op de heenreis gaf de hoofdmotor regelmatig problemen. Zo was op 5 december onze sinterklaassurprise dat we een bloedhete krukput in moesten om een drijfstangkruk te demonteren en weer in elkaar te zetten. Toen de klus geklaard was, stond iedereen uitgemergeld op zijn benen te trillen en konden de ketelpakken uitgewrongen worden alsof ze zo uit het water waren gevist. Tussendoor hadden we ook nog voor dokter gespeeld, omdat Gijs, de 4e wtk, uitgleed op de glibberige smeerolie in de krukput. Terwijl hij probeerde zich ergens aan vast te klampen, schoot zijn arm uit de kom. De onfortuinlijke collega werd op het achterdek op een stoel gezet, twee man hielden zijn bovenlijf vast en een derde trok en draaide net zo lang aan de arm, totdat we dachten dat hij weer op zijn plaats zat. Gelukkig streek Gijs door al dit gewroet niet het vaantje. Hij gaf zelfs nog aan, dat hij meende dat de arm op een bepaald moment weer goed in de kom zat. Achteraf blijkbaar niet helemaal goed, misschien wel helemáál niet goed, want hij bleef pijn houden en kwam in Sydney nog in het hospitaal terecht, waar opnieuw aan hem werd gedokterd. Uiteraard deskundiger dan wij hadden gedaan.
Spion aan boord
Bijna iedereen aan boord was al weer heel wat maanden van huis en bijgevolg deden zich geregeld gevallen van tankeritis voor. Zoals die keer toen er plotsklaps, midden op zee, een knaap van een tropische vlinder in een van de gangen van het achterschip fladderde. Al gauw was iedereen op de hoogte van dit fenomeen en er werd besloten de 'indringer' te vangen volgens een goed uitgewerkt krijgsplan. Dit plan hield in dat we een cordon vormden, de vlinder omzichtig moesten benaderen en dat daarna iemand op het juiste moment een mat over hem heen moest gooien. Elke keer als dit mislukte en de vlinder wegfladderde, moest dekking worden gezocht achter een hutdeur. Op een afgesproken sein volgde dan een nieuwe aanval. Na een aantal tactische terugtrekkingen en hernieuwde attaques, had ons krijgsplan uiteindelijk succes: het beest lag onder de mat. Vervolgens werd de 'spion' een verhoor afgenomen. In het Engels. Waar hij vandaan kwam, wat zijn bedoelingen waren, wie zijn opdrachtgever was, of hij van plan was geweest het schip te laten zinken, of hij wapens bij zich droeg, en meer van die lariekoek. Een maffe vertoning van een stel volwassen kerels die misschien moeilijk te begrijpen valt, maar de mogelijkheden om op zee de zinnen te verzetten waren, behalve een kaartje leggen, een spelletje mahjong spelen en een praatje met de collega's maken, nu eenmaal nul komma nul. De televisie bestond amper en was al helemaal niet op een schip te vinden. Het was al heel wat, toen er later een keer per week een film werd gedraaid. In de tropen in de buitenlucht aan dek, en in koude streken in de eet- of rooksalon. Alle andere vertier waar men zich aan de wal kon overgeven, was onbereikbaar. En hoewel ik ooit iemand wijs wist te maken dat we een cardanisch opgehangen biljart aan boord hadden, was dat natuurlijk klinkklare onzin. En spelen op een biljarttafel met vierkante ballen op een altijd in beweging zijnd schip, had evenmin weinig zin.
Met zoveel als niets voorhanden hebben om de vrije tijd mee te vullen, is het dus voorstelbaar dat het tankeritisvirus vrijspel had. Dat juist ik er behoorlijk mee besmet raakte en er geen been in zag het zonder gewetensbezwaar kwistig te verspreidden, laat ik maar even buiten beschouwing.
Mijn eerdere berekeningen om na Sydney eind januari in Singapore aan te komen, klopten aardig. Het werd maar een paar dagen later, 2 februari 1959. Maar mijn hoop om afgelost te worden, werd helaas niet bewaarheid. Ik moest nog wachten tot 26 februari, toen de Malea, na wat omzwervingen in de Archipel, opnieuw in Singapore kwam en er nu wel een aflosser voor me was. Na in Singapore een paar dagen te hebben doorgebracht en na een vliegreis waar ik me weinig meer van herinner, landde ik eind februari 1959 veilig en wel op Schipkhol. Vandaar per trein naar Den Haag, om vervolgens met een taxi naar Rijswijk gebracht te worden, waar Neeltje vanuit Egmond aan Zee naar was verhuisd. Het Shellpensioenfonds had namelijk in Rijswijk flats laten bouwen, en als 'Shellmensen' kwamen we in aanmerking om een ervan te mogen betrekken. Ons eerste 'echte' huis. Om precies te zijn, in de Dr.H.Colijnlaan 133. Na bijna dertien maanden terug van weggeweest, stapte ik uit de taxi, zeulde mijn bagage het trappenhuis in en beklom de trap naar nummer 133. Aanbellen hoefde niet, de deur was al open. En in de deuropening stond daar eindelijk dan Neeltje weer voor me. Met Chris. Goed twee jaar was hij inmiddels, en het is bij dit weerzien, dat hij de woorden sprak die ik als titel voor mijn boek heb gebruikt.
Na een begroeting die eerdere weerziens in blijdschap misschien wel overtroffen, zag ik nu eindelijk ook Dirk. Was Chris goed tien maanden oud toen ik hem voor eerst zag, voor Dirk had dat niet zolang geduurd, maar toch was hij ook al een flink uit de kluiten gewassen baby van goed drie maanden. En zal Chris bij zijn eerste ontmoeting met zijn vader nog niet echt het besef hebben gehad dat er daardoor ineens dagelijks een man over de vloer kwam, Dirk zal daar zeker geen weet van hebben gehad. Waarschijnlijk ook nog niet toen ik drie en een halve maand later weer gehoor moest geven aan een roepende plicht.