22. Muis redt schip

Vomiting in this bucket...
Pl...ple... plenty water down below!
Balen van Nigeria

Ik hoef niet te vertellen hoe de drie en een halve maand verliepen. We beleefden een fantastische tijd, die helaas werd getemperd toen er bericht kwam dat ik me op kantoor diende te vervoegen en te horen kreeg dat de koek weer op was. Naar ik me herinner gebeurde dat op een van de eerste dagen van juni 1959. Een paar dagen later, op 8 juni, zat ik, na een goed verlopen vliegreis via Kano waar ik moest overstappen in een andere plane, in hotel Cedar Palace in Port Harcourt in Nigeria. Wachtend op het binnenlopen van het m.s. Prospector, op welke boot ik als 'Engineer in charge' het beheer over de machinekamer moest gaan voeren. De Prospector was een klein schip dat in de wateren rond Borneo seismografisch onderzoek had gedaan en daarna naar Nigeria werd gedirigeerd om allerlei hand- en spandiensten te verrichten. Karweitjes die varieerden van dieptemetingen uitvoeren in de monding van de Bonnyriver, tot onderdelen brengen naar olieboringen in de rimboe. Vooral dit laatste leverde dusdanig veel avonturen op, dat er vele bladzijden mee te vullen zijn. Ik doe dat echter nu niet. De tijd dat ik in Nigeria was, was een heel bijzondere periode in mijn leven waarover ik van plan ben later nog eens apart verhaal over te doen. Als uitzondering op dit voornemen, haak ik alleen even in op wat ik schreef in het hoofdstuk 'Het kussengevecht'. Daarin vertelde ik hoe een gat in de bodem van de Rufina met een kussen werd gedicht en een ramp werd voorkomen. Als slotzin schreef ik toen dat ik op een wel zeer bijzondere manier de Prospector voor zinken heb behoed.


Om verhaal te doen over, wat gezien mag worden als een opmerkelijk staaltje van zeemansvernuft, moet ik eerst vertellen dat collega Ad Schum en ik de enige twee blanken aan boord van de Prospector waren. Ad als kapitein en ik als 'engineer in charge'. De crew bestond uit Nigerianen. Vier man voor de machinekamer en een paar man meer als dekpersoneel. Ondanks hun zeer beperkte kennis van machines, waardoor ik vooral in het begin weinig aan ze had (Ad had hetzelfde probleem met het dekpersoneel), kon ik prima met de Nigerianen opschieten. Teminste, zolang we geen klusje op zee hadden. En dat gebeurde regelmatig. Door hun slecht zeemansschap sprong ik dan af en toe uit mijn vel van ergernis. Dat dat niet zo verwonderlijk is, zullen de volgende regels wel duidelijk maken.

Vomiting in this bucket...
De thuishaven van de Prospector was Port Harcourt, waar een kleine werf, Loading Base, als uitvalsbasis diende. Om in open zee te komen, moest eerst een paar uur de Bonnyriver stroomafwaarts worden gevaren, waarna ter hoogte van het eilandje Bonny de riviermonding werd bereikt. De vaaroute naar open zee (de Golf van Guinea), was hier gemarkeerd met boeien en bij boei vijf, waar de doorzettende golfbewegingen van de Zuidelijke Atlantische Oceaan in de Golf van Guinea goed merkbaar was en de Prospector flink in beweging bracht, konden we de crew wel op onze buik schrijven. Als zoutzakken hingen ze dan over de reling en kotsten de even ervoor doorgeslikte gekookte yams over de muur. Deze, tot bolletjes gekneedde, amper gekauwde en nog niet verteerde knollen, plompten dan als grote witte knikkers in zee. Voor de duur dat we buitengaats waren, was er geen beweging meer in ze te krijgen en eenmaal uitgekotst, verdwenen ze naar het bemanningsverblijf. Om zo nu en dan nog even aan dek te komen voor een volgend rondje visjesvoeren. Wetend, dat we toch niks aan ze hadden, deden we dan maar geen moeite meer om ze aan het werk te krijgen. Alleen een roerganger en een enginedriver kregen geen kans om zich te drukken. Zeeziek of niet. De enginedriver gaf ik dan een emmer mee: "Vomiting in this bucket".

Zo een voorstelling van een zeezieke crew kregen we ook weer te zien toen de Prospector opdracht kreeg allerlei materiaal naar een boorlokatie ergens in de binnenlanden te brengen. Het was de eerste keer dat we voor zo'n klus stonden en hoewel ik me deze reis nog goed herinner, is het onmogelijk om precies aan te geven waar die boorlokatie zich bevond. In ieder geval ergens in de rimboe. Ik kan alleen vertellen, dat op de dag van vertrek uit Port Harcourt de steven eerst werd gericht op open zee en eenmaal buitengaats, koers werd aangehouden op de monding van de rivier de Niger die een tijdlang stroomopwaarts gevolgd moest worden. Om daarna via zijrivieren en een groot aantal kreken, uiteindelijk de opgegeven lokatie te bereiken.

De weerberichten voorspelden niet echt slecht weer, maar wel konden we een stevige wind verwachten en dus werd alles wat op zee aan de haal kon gaan, zeevast gesjord. Alle waterdichte deuren die in de gangboorden toegang gaven tot de messroom, het bemanningsverblijf en de machinekamer, werden hermetisch gesloten. Na check en double check aldus goed voorbereid, passeerden we boei vijf. Vanaf hier verder aankoersend op ruim water, bleek alras dat de weervoorspellingen juist waren. Een halve storm zorgde voor een holle zee. Onophoudelijk werd de Prospector belaagd door aanrollende zware golven en na nog een tijdlang een koers aangehouden te hebben die ons verder van de kust bracht, stond het schip voortdurend op zijn kop. Onophoudelijk overspoelden overkomende zeetjes het voorschip en de gangboorden en kolkten over het achterschip weer overboord. We konden onze borst natmaken.

In het stuurhuis zetten Ad en ik ons schrap. We hadden moeite om op de been te blijven, maar eigenlijk ondergingen we het zwaar werkende schip als een welkome afwisseling op de saaie dieptemetingen die we eerder een paar weken in de monding van de Bonnyriver hadden gedaan. Terwijl Ad zich voornamelijk bezig hield met de navigatie, nam ik, via een noodluik op het sloependek, geregeld een kijkje in de machinekamer. Een opgeschrikte enginedriver haastte zich dan om te verzekeren dat alles in orde was. Wat niet betekende dat dat ook zo was en dus liep ik dan zelf alles even na. Behalve een roerganger en een enginedriver, leed de rest van de crew hun grote lijden in het bemanningsverblijf.

Pl...ple... plenty water down below!
De dag en avond verliepen en met om beurten zo nu een hazeslaapje (het schip toevertrouwen aan de Nigerianen was om moeilijkheden vragen), ging de nacht voorbij. Het weer was niet merkbaar veranderd. Ogenschijnlijk was het niet beter en niet slechter geworden, maar naarmate de dag vorderde, zagen we dat het achterschip na elke overkomende klap water steeds minder vaak droogviel. We maakten ons er niet echt druk om en schreven het toe aan een blijkbaar toch ruwer wordende zee. Dat het wel eens aan het schip zelf kon liggen, daar dachten we onder de gegeven omstandigheden niet aan. Totdat een hele poos later het noodluik van het bemanningsverblijf open ging en we onze conlusie rap moesten bijstellen.

Uit het luik kwam een hevig ontdane Nigeriaan. Op handen en voeten kroop hij het stuurhuis binnen en hakkelde: "Pl...ple... plenty water down below!". Ik ging meteen kijken en schrok me wezenloos en mijn eerste gedachte was: "Dat die krotekokers niet eerder gewaarschuwd hebben!" . In de bemanningsruimte stond bijna een meter water. De onderste kooien werden door de onstuimige bewegingen van het schip overspoeld en in plaats van alarm te slaan, waren de Nigerianen die erop hadden gelegen, een kooi hoger geklommen. Allerlei rommel klotste van de ene kant naar de andere. Het was één grote puinzooi. Overbodig nog te zeggen, dat de Prospector dus water maakte en het werd nu ook duidelijk, waarom het achterschip niet meer droogviel. Niet door een ruwer wordende zee, maar door water te maken, verdween het achterschip langzaam maar zeker onder de zeespiegel!

Na het gat in de bodem van de machinekamer van de Rufina en de latere ondergang van deze tanker, bevond ik me dus voor de derde keer op een schip dat bezig was te zinken.

De ellende overziend, veranderde Ad meteen van koers. Richting kust, waar hij de Prospector op een zandbank kon zetten. Hoewel het letterlijk water naar de zee dragen was, werden de Nigerianen met brandblusemmers aan het hozen gezet. Deden ze tenminste ook wat om hun hachje te redden. Intussen zou ik proberen om op zijn minst evenveel water uit het schip te pompen als erin kwam, waarvoor ik maar één mogelijkheid had, namelijk gebruik maken van een lensleiding die uitkwam op een ruim in het achterschip. Door de constructie van het schip wist ik dat hier ook water moest staan. Met de gedachte dat er maar één afsluiter opengedraaid hoefde te worden om het water uit het ruim te pompen, dook ik de machinekamer in. De lenspomp waarmee dit moest gebeuren werkte goed en nadat ik de bewuste afsluiter had opengedraaid, verwachtte ik dan ook een flinke straal water uit de overboorduitlaat te zien komen. Maar ik zag niks! Geen drup! Nada! Mijn eerste gedachte was een verstopt filter. Wat een ramp bij een ramp zou zijn, want het filter bevond zich in het ruim dat onbereikbaar was geworden door het onder water staande achterschip. Het filter schoonmaken of vervangen kon ik dus wel schudden.

Een andere mogelijkheid waarom de pomp niet werkte, kon zijn dat er ergens in het lenssysteem lucht werd aangezogen. Terwijl ik bezig was deze mogelijkheid te onderzoeken, viel mijn oog op een losgetrilde beugel waarmee de lensleiding op een spant werd geklemd. De leiding schavielde nu vrij op het spant en de gedachte kwam bij me op, dat er door het schuren van metaal op metaal misschien wel een gat in de leiding was gesleten. Ik kon het me bijna niet voorstellen, maar de omstandigheden dwongen tot zekerheid en dus haalde ik de beugel helemaal weg om vervolgens met een koevoet zoveel ruimte tussen de leiding en het spant te maken, dat ik mijn hand ertussen kon steken. Met mijn vingers betastte ik de leiding en.voelde een lek! Dus toch! Een lek, groot genoeg om voldoende lucht aan te zuigen waardoor de lenspomp niet werkte. Meteen besloot ik een 'trekbandje' te maken. Een op zee vaak toegepast foefje om als noodoplossing een gat in een leiding te dichten. Maar, forget it but. Er was geen stukje materiaal te vinden om zo'n slimmigheidje te maken! Ik stond nu volledig voor het blok en voelde me als een kat in het nauw die rare sprongen moest maken. Maar welk alterrnatief ik ook bedacht, al mijn bedenksels waren onuitvoerbaar. Geen prettige constatering op een zinkend schip.

Omdat ik door al mijn perikelen nogal lang weg bleef, was Ad ook in de machinekamer gekomen. Geen idee hebbend hoe het mij verging, kwam hij vragen hoe de vlag erbij hing. Niet best dus, en het enige wat overbleef was op volle kracht blijven aankoersen op de kust om de Prospector ergens omhoog te zetten. Onderwijl maar duimendraaien in de hoop dat we dat met het zinkend en zwaar werkende schip, nog zouden halen. Een bede, waar de Nigerianen hun eigen manier voor hadden. Zeeziek en met van angst verwrongen gezichten, riepen ze al hozend de hulp in van de een of andere djudju. Onder de gegeven omstandigheden waarschijnlijk een geest die ergens op zee huisde.

In de tijd dat ik in de machinekamer bezig was, had Ad met de marifoon herhaalde malen geprobeerd contact met de wal te krijgen. Helaas zonder resultaat. Geen enkele keer had hij respons gekregen. Andere communicatiemiddelen dan een marifoon hadden we niet, dus op hulp van welke kant dan ook, hoefden we niet te rekenen. Onmachtig zelf nog iets te kunnen doen, waren we er mooi mee aan. Met een zeemansgraf voor ogen en overgeleverd aan een ruwe zee die met de Prospector solde, bleef er niets anders over dan alvast maatregelen te treffen om de reddingssloep te kunnen strijken als we niet op tijd een ondiepte bereikten.

Terwijl we in het stuurhuis een mogelijk 'abandon ship' bespraken en ik overwoog wat me in die situatie in de machinekamer te doen stond, kreeg ik opeens een ingeving. Een uit nood geboren brainwave. Met gekruiste vingers en met een schreeuw naar Ad "Kijk jij over de muur of er straks water uit de lensuitlaat komt!", dook ik de machinekamer weer in, rechtstreeks naar de plek waar de lensleiding op het spant had liggen schavielen. Ik plaatste de muis van mijn duim op het gat en wachtte gespannen af. Even later hoorde ik een enthousiaste brul door het noodluik van de machinekamer. Mijn truc werkte!

Alle tijd die nog nodig was om de kust te bereiken, hield ik de muis van mijn duim op het gat. Zittend in een ongemakkelijke houding en me schrap zettend tegen het slingeren van het schip, was er wel iets leukers te bedenken, maar het waterpeil in het bemanningsverblijf zakte! Uiteindelijk zou het achterschip zelfs helemaal droog gepompt worden, maar niettemin liet Ad de Prospector in rustig water op een zandbank lopen. Immers, met mijn kunstgreep had ik wel de lenspomp aan de praat gekregen en het schip leeggepompt, maar de oorzaak van het binnenkomende water was nog niet verholpen. Hoewel we wel een vermoeden hadden, wisten we niet eens wààr het naar binnen kwam. Bovendien kon ik natuurlijk ook niet eeuwig voor 'trekbandje' spelen.

Eenmaal onzinkbaar verankerd op de zandbank, gingen we op inspectie. Het bleek dat lekke afdichtingen van de roerkoning en een tussenas oorzaak waren dat eerst de stuurmachinekamer was volgelopen en vervolgens het ruim en het bemanningsverblijf. Hoe de Prospector weer vaarklaar werd gemaakt, is niet interessant om verhaal over te doen. Feit is, dat we na het nodige reparatiewerk de reis naar ergens in de rimboe vervolgden alsof er niets was gebeurd. Dat we daar ook nog het nodige meemaakten, hoop ik, zoals gezegd, nog eens te vertellen.

Bij het nalezen van 'Muis redt schip', kwam de gedachte bij me op, dat in de geschiedschrijving over de scheepvaart vast en zeker wonderlijke manieren zijn beschreven hoe de ondergang van een schip werd verhinderd. Het vernuft waarmee de Rufina en de Prospector voor zinken werd behoed, zal echter nooit in de annalen van de maritieme geschiedenis vermeld worden. Terwijl het toch bijzondere staaltjes van creatief zeemansschap waren.


Balen van Nigeria
Na het hachelijke avontuur met de Prospector volgden nog vele maanden waarin van alles werd beleefd. Met allerlei spannende, grappige, maar vooral niet alledaagse voorvallen, verstreek de tijd. Op zich natuurlijk prachtig om mee te maken, maar toen er bijna een jaar op zat, begon ik toch behoorlijk van Nigeria te balen. Vooral natuurlijk omdat ik al weer een jaar van huis was. Vragen om afgelost te worden, werden elke keer weinig bemoedigend beantwoord. "Nog even geduld. We zijn bezig met een aflosser te regelen". Maar het bewijs daarvan bleef alsmaar achterwege. Dat men ineens toch tot versnelde actie kwam om me met verlof te sturen, had waarschijnlijk te maken met de politieke omstandigheden in Nigeria. Onder Engelse bestuur vallend, stond het land namelijk op het punt om onafhankelijk te worden en sommige Nigerianen lieten duidelijk blijken dat ze zich dan flink zouden laten gelden. Zo iemand had ik ook aan boord. Op zee, bij slecht weer, had hij eens slapend in de machinekamer gelegen en had hij verzuimd een filter schoon te maken waardoor de motor er bijna mee nokte. Ik probeerde in de messroom wat te slapen,en hoorde hoe het toerental terugliep. Als een speer spurtte ik naar de machinekamer om te voorkomen dat de motor helemaal stil viel, wat me ternauwernood lukte. Het valt te begrijpen, dat ik me daarna amper kon beheersen om me niet aan die Jan Jurk te vergrijpen, maar wel kreeg hij alvast de boodschap de zak te krijgen zodra we weer in Port Harcourt waren. Ik hield woord en was natuurlijk de gebeten hond. Hij trommelde een paar maten op en begon me te dreigen. "We get you as soon as independence day is there" en meer van dat soort dreigementen. Niet dat ik daardoor geintimideerd raakte, maar omdat ik niet de enige was die bedreigd werd, meldde ik het toch aan het plaatselijk personeelskantoor van de Shell. Hoe het beleid toentertijd was, weet ik niet, maar ik heb het vermoeden dat men de kat niet op het spek wilde binden en dat er daardoor toch nog vrij snel een vlucht naar Holland voor me werd geboekt. Op 21 juni 1960 wierp ik een laatste blik op de Prospector. Dertien maanden op dit schip had me in de meest merkwaardige situaties gebracht. Moeten vluchten voor opdringerige inboorlingen, een bruiloft in de rimboe, met een kapmes een weg banen door de kreken, menigmaal vastlopen door onderwaterplanten in de schroef, kleine Nigeriaantjes 'Op een klein stationnetje' en andere Hollandse liedjes leren, voetballen in een nederzetting ergens ver in het binnenland, bijna ruzie met een dorpshoofd om een paar borrelglaasjes, een ontploffing onder water, belevenissen op olieboringen, in Port Harcourt in een rokje lopen. Ik stop ermee. Maar mijn vingers jeuken boven het toetsenbord om over dit alles, en nog veel meer, nu al verhaal te doen.

Inhoudsopgave