23. Ooievaartje wisselen

Een toeter van jewelste
De tweede baby (uitzet) gratis

Een paar dagen na de 21e juni was ik thuis. Er brak een tijd aan van volop genieten van alles wat er in een verlof kon worden gedaan. Wel vergde studie veel tijd, maar voor de rest was het lekker God's water over God's akkers laten vloeien. Onbezorgd genieten van het 'carpe diem' gevoel. Veel erop uit, bijvoorbeeld naar Te Werve, het recreatiecomplex van de Shell in Rijswijk, maar vooral elke dag genieten van elkaar en van de kinderen. Dirk was inmiddels bijna twee jaar en Chris was de drie al een aantal maanden gepasseerd en had inmiddels zijn vocabulaire sinds zijn "Dag meneer, koud hè, buiten", gigantisch uitgebreid. Als een goed geoliede praatmachine, eiste hij de hele dag de aandacht op. Zelfs als hij met me mee ging om kievitseieren te zoeken en ik hem, verdekt opgesteld achter een damhek, maande om eindelijk zijn mond even te houden, was dat aan dovemansoren gericht. Dirk kon ook al aardig brabbelen, maar deed het heel wat kalmer aan. Met engelengeduld liet hij zich bij het naar bed gaan tot vervelens toe verleiden om woordjes na te zeggen. Om woorden als 'wajjjsmachjjjine', 'Kasjavoeboe', ijjjskast', hadden Neeltje en ik dan de grootste lol om de manier waarop hij ze uitsprak. Ging ik met ze fietsen, dan zat Chris achterop en praatte honderduit. Dirk, voorop zittend, antwoordde intussen op mijn tot in den treure herhaalde "Dikkie, jongen, zit je goed?", alleen maar elke keer heel bedaard "Ja.. aaa...". Allemaal kleine voorvalletjes, maar we genoten er intens van.

Op 23 mei en 5 juni 1961 deed ik examen voor het zogenoemde B-diploma voor scheepswerktuigkundige. Twaalfdagen later, op 17 juni, zat ik weer op zee. Als 3e wtk op de Acila, een 12.000-tons tanker met motoraandrijving.

Het afscheid had meer bedrukte gevoelens bij me achtergelaten dan alle voorgaande keren. Niet zo verwonderlijk, want Neeltje was opnieuw in verwachting. Bij het afscheid was ze twee maanden zwanger, en normaal gesproken was de kans nul komma nul dat ik bij de bevalling kon zijn. De gedachte dat ik daardoor voor de derde keer bij een geboorte niet thuis zou zijn, hadden me behoorlijk parten gespeeld. Het droeg ertoe bij, dat, in de tweestrijd tussen mijn gehechtheid aan het leven op zee en het bij vrouw en kinderen willen zijn, de zee aan de verliezende kant begon te raken.

Zonder dat het zeemansberoep me ook maar een moment tegenstond - eerder gaf ik dat ook al aan - kreeg varen toch een andere betekenis. Het werd steeds meer een kwestie van gewoon werken, waarbij het lang van huis zijn een alsmaar grotere rol ging spelen in mijn dagelijkse doen en laten. Waarschijnlijk is dit de reden, dat ik me niet veel herinner van de tijd dat ik op de Acila voer. Het over de wereldzeeën van hot naar her zwerven was niet anders dan op al die andere schepen, maar aparte belevenissen op dit schip willen niet bij me in beeld komen. Wat me nog wel duidelijk bij staat is, dat ik, vol van de komst van een nieuwe boreling, van koperdraad een ooievaar had gemaakt. Mooi wit geschilderd, met een felrode snavel, hing dit kunstwerk in mijn hut aan de wand. Een aantal weken later maakte ik zelfs een tweede, want in een brief van Neeltje las ik dat de dokter had gezegd, dat we misschien wel een tweeling konden verwachten. Maar deze tweede ooievaar was blijkbaar voorbestemd om met zichzelf stuivertje te wisselen. Dan weer van de wand, dan er weer aan, afhankelijk van wat er in de brieven stond die ik kreeg. "De dokter denkt dat het er toch niet twee zijn". Eén ooievaar dus weg. In een daaropvolgende brief: "Volgens de dokter hoorde hij twee hartjes". Hup, ooievaar weer opgehangen. En zo zette elke brief me aan het werk met ooievaartjewisselen. Tot we ergens in september in Berre bij Marseille binnenlagen en er aan de wal gelegenheid was om naar huis te bellen en ik hoorde dat de dokter met stelligheid beweerde, dat het een tweeling werd. Omdat ik daarna door orderveranderingen wekenlang geen post kreeg, bleef de tweede ooievaar waar hij was. Aan de wand dus. De collega's hadden mijn ooievaartjewisselen steeds met interesse gevolgd en na dat telefoontje in Berre, werd ik enthousiast gefeliciteerd en keken ze met ontzag tegen me op. Een toekomstige vader van een tweeling aan boord! Ik voelde me natuurlijk zeer gevleid en was zelf ook behoorlijk opgetogen, maar had niet door dat die smiechten er vooral op uit waren om me alvast een feestje op een geslaagde bevalling te ontfutselen. Wat ze nog lukte ook. Eind september waren we in Liverpool. Waar we vandaan kwamen weet ik niet meer. Wel staat me nog bij, dat we na Liverpool orders voor Pernis kregen, daarna voorbestemd waren om een paar kustreisjes te maken en dan dokken in Rotterdam. In de tijd dat dit allemaal zou plaatsvinden (oktober), was Neeltje uitgerekend en ik dacht hoe mooi het zou zijn als de bevalling gebeurde terwijl we in dok lagen. Het moest raar gaan, wilde ik dan niet een paar dagen thuis kunnen zijn. Een mooie gedachte, maar ook niet meer dan dat, want de werkelijkheid was dat ik door het vaarschema van de Acila tijdens de bevalling gewoon op zee zou zitten.

Maar toen kwam die enorme meevaller. Op 11 oktober in Rotterdam afgemeerd, mocht ik van boord! Neeltje, wetend van de kustreisjes en daarna dokken, had na een telefoontje met het hoofd personeelzaken (meneer Karelsen, dezelfde die in Singapore zat toen ik op de Tibia wachtte) gedaan weten te krijgen, dat ik gedurende de kustreisjes tijdelijk afgelost zou worden. Om na de bevalling weer terug te keren naar de Acila als het schip in het dok lag. In recordtijd pakte ik mijn koffers. Toch alles maar mee, want je wist maar nooit. Het gezegde de mens wikt, de Shell beschikt, ging nog altijd op en dus kon het best gebeuren dat ik niet terug zou gaan naar de Acila, maar op een ander schip werd geplaatst.

Een toeter van jewelste
Eenmaal thuis zag ik Neeltje voor het eerst met een dikke buik. Een toeter van jewelste. Het was een vreemde ervaring haar van de ene op de andere dag op alle dagen te zien lopen. Dat ze van één kindje zo was uitgedijd. Van één ja, want na dat telefoontje in Berre, had de dokter later toch weer gezegd, dat we maar niet op een tweeling moesten rekenen. Toen ik van boord ging, hing er dan ook maar weer één ooievaar aan de wand. Of de dokter voor de zoveelste keer een verkeerde bril op heeft gehad? Toen ik de Acila achter me liet, dacht ik daar niet aan.

Vanaf het moment dat ik thuis was, gingen de dagen onder dikke pret voorbij. Maar ook erg spannend. Bij de geboorte van Chris in de Caribiën varend en bij Dirk ten anker liggend op de Pladjukali in Indonesië, was het de eerste keer dat ik bij de bevalling zou zijn. En dat gaf toch de nodige portie zenuwen. Neeltje vertelde wel hoe alles zo'n beetje zou gaan, maar ik had er geen idee van wat me tijdens het grote uur U in werkelijkheid stond te wachten en hoe ik me zou houden. Wat ik goed had onthouden was, dat ze had gezegd dat, als de baby er was, haar buik als een pudding in elkaar zou zakken. De buik zou meteen weer mooi plat zijn. In de nacht van 16 op 17 oktober was het zover. Vroedvrouw gebeld, dokter gebeld en om zes uur in de ochtend van de 17e oktober was de baby er. Een meisje: Karin Jolanda! Terwijl de vroedvrouw en de dokter zich over de nieuwe boreling ontfemden, zat ik blij en gelukkig naar de Neeltje te kijken. Ook naar haar buik, en op hetzelfde moment dat ik zei "Je buik zakt helemaal niet in", riep ze de dokter. Ze had ook gezien wat mij opviel. Wat eigenlijk had moeten gebeuren, gebeurde niet, de buik was nog net zo dik als een paar minuten geleden. Niet verwonderlijk, want Neeltje was nog niet 'uitbevallen'! Twintig minuten later was Anita Saskia er!

Dus tòch een tweeling. Was ik nog aan boord geweest, dan had ik voor de zoveelste keer de tweede ooievaar aan de wand moeten hangen. Maar deze keer in de zekerheid dat hij er niet meer af hoefde.

Dat de wereld vol verrasingen zit, bleek twee jaar later. Toen waren het Sandra en Christien, die ons pas op het allerlaatste moment lieten weten dat ze met zijn tweetjes kwamen. Raar dat we dat niet wisten? Toen niet. Bijna veertig jaar geleden had een dokter alleen maar een 'toeter' die op de buik werd gezet om te luisteren naar nieuw leven.

De tweede baby (uitzet) gratis
Precies vier weken werd me gegund om mee te maken hoe de tweelingdochets hun eerste levensdagen doormaakten. Een compleet nieuwe ervaring, waar ik gretig van genoot. Omdat we tot op het laatste moment er niet op hadden gerekend dat Karin en Anita saampjes zouden komen, was de uitzet afgestemd op maar één baby en had ik het er de eerste paar dagen druk mee gehad het nodige te regelen om de babyuitzet aan te vullen. Een mazzeltje daarbij was, dat de winkel waar de uitzet was gekocht, op het moment van de aankoop een reclamestunt had. Bij de geboorte van een tweeling, levering van een tweede set babyspulletjes gratis. Plus welgemeende felicitaties. Met een plotsklapse verdubbeling van het aantal te verwachten poepluiers en babykleertjes die na een wasbeurt weer snel beschikbaar moesten komen, hadden we ook een centrifuge aangeschaft. Een hele luxe.

Op 18 november 1961 nam ik weer afscheid. En deze keer niet alleen van Neeltje, Chris en Dirk, maar nu dus ook van Karin en Anita. 's Avonds om zes minuten over tien stapte ik in Den Haag in de trein naar Hoek van Holland, om vandaar met de nachtboot over te steken naar Harwich. Daarna met de trein via Londen naar Liverpool, waar ik op 19 november 's middags om kwart over drie arriveerde. Na een nacht in een hotel, stapte ik de volgende dag de gangway op van het s.t.s. Zafra.

Inhoudsopgave