Wie het zeemansleven niet kent, zal moeilijk begrijpen wat die tweestrijd me kostte. Ik had te lang gevaren om zomaar een beslissing te nemen. Daarvoor was een schip, de zee, het leven aan boord en de gevoelens die dit allemaal opriep, een te groot deel van mezelf geworden. Soms dacht ik, varen is niks, het is precies wat de bovenstaande dichtregels zeggen: niets meer met de zee te maken willen hebben. Maar als ik dat tot me door liet dringen, sloeg het me benauwd om het hart bij de gedachte een walslurp te worden met een baan van acht tot vijf.
Bij al dit heen en weer geslinger, waren er echter steeds die beelden die ik inmiddels zo goed kende: Na een verlof en bij het betreden van de gangway van weer een ander schip de zekerheid hebben, dat er opnieuw vele maanden voor de boeg lagen voordat ik weer herenigd werd met Neeltje en de kinderen. En deze kant van het zeemansleven gaf de de doorslag. Acht jaar nadat ik Neeltje voor het eerst ontmoette en zes jaar na ons trouwen, liet ik begin april 1962 de Maatschappij per telegram weten de zak te willen nemen.
Drie weken later, op 29 april werd ik in Lavera bij Marseille afgelost. Een dag erna, op Koninginnedag, na een treinreis door Frankrijk en België, zette een taxi me af in de Dr. H.Colijnlaan in Rijswijk en sloot ik een totaal beduusde Neeltje in mijn armen. Meteen daarop waren er knuffels voor Chris en Dirk en Karin en Anita. Dat Neeltje totaal verrast was, valt te begrijpen. Ik had haar niet verteld dat ik de zak had genomen. Laat hem even terugbellen
Bijna kwam er nog een kink in de kabel en had ik toch weer naar zee gemoeten. Voor de formele afwikkeling van mijn ontslagaanvraag was namelijk nog een ontslagbrief nodig, die ik persoonlijk afgaf op de afdeling personeelszaken in het Shellgebouw in Rotterdam. Omdat ik zeker wist nog een tegoed aan gage te hebben, ging ik ook naar de salarisadministratie. Maar daar wachtte me een enorme teleurstelling. Inplaats van met een dikke portemonnaie huiswaarts te keren, werd me verteld dat ik de maatschappij geld schuldig was. Vierentwintighonderd gulden. Een en ander als consequentie van mijn ontslagname. Ik had voor mijn B-diploma namelijk doorbetaald studieverlof gehad, waarvoor ik me twee jaar aan Shelltankers moest binden. Als binnen die twee jaar ontslag werd genomen, diende de uitbetaalde gage in zijn geheel terugbetaald te worden. Ik had hier nooit meer aan gedacht en die twee jaar waren nog niet om. Ik zat dus mooi in 't schip. Letterlijk, want vierentwintighonderd gulden had ik niet en er zat niets anders op dan terug te gaan naar de afdeling personeelszaken om mijn ontslag in te trekken. "Geen probleem, meester, we hebben wel weer een boot voor u", En of ik maar even een telefoonnumer wilde achterlaten waar men mij kon bereiken om te horen op welk schip ik geplaatst werd en wanneer ik moest uitvaren. Met de pest in stapte ik in de trein naar huis. Althans, naar een zomerhuisje van kennissen in Egmond aan Zee, waar we met het gezin een paar dagen vertoefden. Allerlei gedachten spookten door mijn hoofd door weer te moeten varen, intussen niet wetend dat Neeltje inmiddels een telefoontje van kantoor had gehad (van van Henegouwen) waarin alleen maar was gezegd " Zeg maar tegen uw man dat het geregeld is. Laat hem even terugbellen". Met een gezicht als een oorwurm stapte ik het zomerhuisje binnen. Op tafel stond een taart om mijn nu offcieel afgerond ontslag een feestelijk tintje te geven en blij dat ik thuis was, wilden de kinderen het liefst meteen tot de aanval overgaan. Een mes in de handen van Neeltje duwend, riep eentje in zijn ongeduld zelfs "Snije!". Maar na mijn verhaal te hebben gedaan over weer naar zee te moeten, kwam er een domper op de feestvreugde. Waar de kinderen niets van begrepen en dus kregen ze tóch maar een stuk taart. Zelf moesten Neeltje en ik alles even laten bezinken. En toch maar even kantoor bellen. Om, zo was mijn vaste overtuiging, te horen op welke boot ik geplaatst werd en wanneer ik weer weg moest.
Tóch nog feest
Het pakte heel anders uit. Het werd toch nog feest. Ik kreeg te horen dat die vierentwintighonderd gulden me geschonken werd en dat mijn ontslagaanvraag alsnog gehonoreerd was. Na mijn vertrek uit Rotterdam had men mijn conduite nog eens nagekeken en daarin bleek ook het een en ander vermeld te zijn over mijn optreden op de Rufina en de Prospector. En dit optreden had men aangegrepen om me een soort achteraf waardering te geven door die vierentwintighonderd gulden kado te doen. Een loffelijke geste. Niet meer naar zee dus, ik kon blijven waar ik was. Thuis!
Tot op de dag van vandaag wordt me nog wel eens gevraagd of ik nooit spijt heb gehad dat ik gestopt ben met varen. Hoewel ik het er in het begin erg moeilijk mee heb gehad, is mijn antwoord nee. Maar in mijn hart is het zeemansleven altijd blijven bestaan. Dit boek getuigt daarvan.